DUIVELSE BANDIETEN IN DE MAASVALLEI

De Bokkerijders. Roversbenden en geheime genootschappen in de Landen van Overmaas (1730-1774) door Anton Blok 457 blz., Prometheus 1991, f 55,- (ppb) en f 75,- (geb) ISBN 90 5333 041 0 (ppb), 90 5333 047 X (geb)

Halverwege de achttiende eeuw werd Zuid-Limburg van tijd tot tijd opgeschrikt door overvallen, gepleegd door benden die bekend raakten onder de naam Bokkerijders. Op een avond kozen de Bokkerijders een boerderij op de linker Maasoever als doelwit. Terwijl hun metgezellen buiten wachtten, drongen drie mannen naar binnen, waar de bewoners na een korte woordenwisseling met stokslagen tot zwijgen werden gebracht. Het licht werd uitgeslagen, en de slachtoffers werden vastgebonden. Toen de boer probeerde te vluchten, werd hij met een groot mes in de buik gestoken. De vrouw des huizes werd vastgegrepen en gesommeerd haar geld aan te wijzen, terwijl ze werd bedreigd met pistolen en messen. De vrouw zei dat ze niet meer geld had dan wat in haar tas zat. Daarop werden haar benen bij elkaar gebonden en in het haardvuur gehouden. Vervolgens werd met een mes het vel van haar tenen gesneden en lieten de overvallers kaarsvet van een brandende waskaars in de wonden druppelen.

Een dergelijk optreden sprak toentertijd ongetwijfeld tot de verbeelding, maar het gerucht dat de Bokkerijders kwamen, leidde vooral het afgelopen decennium een hardnekkig leven. Anton Blok, hoogleraar culturele antropologie in Amsterdam, sprak en publiceerde al sinds de jaren zeventig over de roversbenden die ooit Zuid-Limburg teisterden, maar het definitieve woord over de Bokkerijders liet steeds op zich wachten.

Het nu verschenen boek van Blok, De Bokkerijders, is zonder voorbehoud dat definitieve woord over de Bokkerijders. Letterlijk alles wat er over hen bekend is, staat erin. Het boek is 457 pagina's dik en het bevat een volledige kroniek van de misdaden waarvan ze werden beschuldigd, plus 150 pagina's met gegevens over alle betrokken personen, van Willem Adriaens tot Zwart Thijsken.

De vraag is natuurlijk of we dat allemaal moeten weten. Anton Blok vindt evident van wel. In het begin van de jaren zeventig uitte hij bezwaren tegen de aanpak van de befaamde Britse historicus E. J. Hobsbawm, die in zijn boek Bandits op basis van legenden en balladen tot een geromantiseerd beeld van "sociaal banditisme' was gekomen. Het prototype van de "sociale bandiet' was Robin Hood, de volksheld die met instemming en steun van de bevolking de rijken bestal. Blok meent evenwel dat zulke steun voor roversbenden, als die er al was, eerder was gebaseerd op angst voor terreur dan op solidariteit. Volgens hem dien je om een reëel beeld van het vroegmoderne banditisme te krijgen, uit te gaan van bronnen die feitelijke informatie geven.

PROSOPOGRAFIE

In zijn onderzoek naar de Bokkerijders bracht Blok zijn opvatting in de praktijk. Hij volgde daarbij ongeveer dezelfde methode als in zijn studie naar hedendaagse bandieten, de Siciliaanse maffia, waarmee hij naam maakte. In procesdossiers probeerde hij zoveel mogelijk gegevens te vinden over de bendeleden die in het midden van de achttiende eeuw Zuid-Limburg onveilig maakten. Op die manier construeerde hij een "collectieve biografie'. Deze methode, in historische kringen ook wel "prosopografie' genoemd, behoedt de onderzoeker voor vele vallen, maar stelt hem wel voor compositorische problemen.

Anton Blok leeft al twintig jaar met de Bokkerijders en voor hem hebben de personen na jarenlange studie ongetwijfeld een zekere gestalte gekregen. Dat in tegenstelling tot de argeloze lezer. Die wordt nogal zwaar op de proef gesteld met passages als deze: ""In Hoensbroek was het de familie van Matthijs Ponts, bestaande uit zijn vrouw Barbara (Berbe) Bemelmans, hun zoons Joannes, Peter en Hendrik, en hun dochters Ida en Maria. In Nieuwstadt waren het de broers Bernard en Hendrik Beckx, van wie de eerste gehuwd was geweest met Geertruid Bemelmans, een zuster van Berbe. In Groenstraat waren het Catharina Bemelmans, ook een zuster van Berbe, twee kinderen uit haar eerste huwelijk en haar tweede man, Nicolaes Elven, een zadelmaker-vilder. (Een derde zuster van Berbe Bemelmans was gehuwd met Adolphus Loe en woonde in Gulik; Peter Corvers in Gronsveld was getrouwd met Margareta Bemelmans, een vierde zuster van Berbe)... In Puffendorf waren het Peter Corvers, een halfbroer van de Honnoffsen uit Kleingladbach, zijn vrouw Maria Ponts, een zuster van Matthijs Ponts uit Hoensbroek, en zijn stiefdochter Geertruid.'

Ik citeer nu niet uit de bijlagen, maar uit de tekst. Het lijkt me dat in dit geval volstaan had kunnen worden met de mededeling dat familiebanden een belangrijk verbindend element waren. De lezer die het echt allemaal precies wil weten, had eenvoudig kunnen worden verwezen naar de 270 pagina's met bijlagen. Het boek staat vol met dergelijke opsommingen. Ik moet zeggen dat sommige daarvan erg mooi zijn. Maar het is de vraag of het begrip van de geschiedenis van de Bokkerijders ermee gediend is.

Met dezelfde bijziendheid gaat Blok voortdurend expliciet in discussie met de Limburgse geschiedschrijvers die eerder aandacht hebben besteed aan de Bokkerijders. Hij omschrijft bijvoorbeeld een werkje uit 1924 over Schinnen en omgeving als een "bekend geschrift' en laat ons weten dat het artikel van Thewissen in het tweede deel van Limburgs Verleden ""ontsierd wordt door tal van onnauwkeurigheden die niet nodig waren geweest'.

De compositie is dus niet helemaal gelukkig (het boek bevat ook nogal veel herhalingen), maar behalve de valkuilen toont De Bokkerijders ook de kracht van de collectieve biografie. Bloks onderzoek maakt duidelijk dat voor de hand liggende verklaringen ontoereikend zijn en dat het bestaande beeld van de roversbende misleidend is. Hij beperkt zich daarbij beslist niet tot wat regionale geschiedschrijvers hebben beweerd. Coryfeeën van Georg Simmel tot Michel Foucault worden aangehaald en het onderwerp wordt van vele kanten belicht.

VREEMDE HERKOMST

Wie waren de Bokkerijders? In processtukken worden met die naam een aantal benden aangeduid die in het midden van de achttiende eeuw overvallen pleegden op boerenhoeven, kerken en pastorieën in het land van Overmaas, een gebied dat destijds was verdeeld in Oostenrijkse, Gulikse en "staatse' territoria. Door het ontbreken van een effectief centraal gezag slaagden de benden erin om jarenlang succesvol te opereren. Tot nu toe werden de Bokkerijders afgeschilderd als zwervers van vreemde herkomst en soms zelfs als "gedegenereerde paupers': afgedankte en gedeserteerde soldaten, zigeuners, landlopers en andere lieden zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Voor de veelal Limburgse chroniqueurs van het bendewezen in de Maasvallei was dit beeld misschien geruststellend, maar na het prosopografisch onderzoek van Blok blijft er weinig van over. Ten eerste blijken de benden niet te hebben bestaan uit vreemdelingen, maar juist uit mensen die in de streek zelf woonachtig waren. Vrijwel alle bendeleden waren er zelfs geboren. Met deze uitkomst van Bloks collectieve biografie wordt een contemporaine uitspraak van de schepenen van Hoensbroek bevestigd, die rond 1740 meldden dat de bendeleden ""bij dag zich lieten aanzien als goede naburen en bij nachten op roof en plundering waren uitlopende'. Zo wordt plots begrijpelijk waarom tot ver in de twintigste eeuw in lokale publikaties naderhand de achternamen van de Bokkerijders werden vervangen door een initiaal. Op die manier werd voorkomen dat de schande zou afstralen op hun nabestaanden.

Waren de Bokkerijders dus geen vreemdelingen, simpele paupers waren ze evenmin. De meeste bendeleden waren ambachtslieden. Meestal hadden hun beroepen niet al te veel status: een toonaangevende groep vormden de zogenaamde vilders, mensen die zieke runderen en paarden moesten afmaken en villen, en voorts waren belast met het opruimen van kadavers, zowel van vee als van veroordeelden die waren opgehangen. Er waren onder de Bokkerijders ook verscheidene marskramers en dagloners. Maar het is opmerkelijk dat zich onder de aanvoerders een aantal niet onbemiddelde figuren bevond. Onder hen waren bijvoorbeeld herbergiers en voerlieden.

OUTSIDERS

Bij roof en banditisme vormen honger en gebrek altijd een voor de hand liggende verklaringsgrond, maar zeker in dit geval kan armoede niet het voornaamste motief zijn geweest. Daarvoor waren de benden te groot, terwijl de buit vaak betrekkelijk gering was. Daarom is de vraag waarom de Bokkerijders stalen, plunderden, moordden en verkrachtten des te klemmender. Volgens Blok speelde vooral het besef dat zij door de gevestigde gemeenschap waren buitengesloten een belangrijke rol. Dat gold zeker voor de vilders, die door hun beroep waren gestigmatiseerd. Ze werden door fatsoenlijke mensen met de nek aangekeken en leefden letterlijk aan de rand van de gemeenschap: vaak woonden ze net buiten het dorp. Dat gold ook voor de meeste anderen. Al waren ze soms niet onbemiddeld, de Bokkerijders waren typische outsiders.

Wat de bendeleden gemeen hadden, was hun mobiliteit. Bijna allemaal trokken ze vanwege hun beroep rond. Vilders, maar ook dagloners, schoenlappers en voerlieden doorkruisten regelmatig het platteland. Daardoor, en ook door hun "perifere vestiging', onttrokken ze zich aan de sociale controle van de dorpsgemeenschap, en dit bood hen de gelegenheid tot het organiseren van clandestiene bijeenkomsten.

Blok ziet in het optreden van de benden duidelijke subversieve trekken. Het plegen van overvallen was eerder middel dan doel. De overvallen waren daden van verzet tegen de voornaamste exponenten van de gevestigde orde: de welgestelde boeren en de kerk. Bij inbraken in boerderijen werden de bewoners nodeloos hard aangepakt, en bij overvallen op kerken, pastorieën en kapellen lieten de rovers het niet bij het wegnemen van geld, "kerkelijk vaatwerk' en andere kostbaarheden. Ze molesteerden ook het interieur, en soms aten ze vrolijk alle heilige hosties op.

Op den duur kregen de benden het karakter van een geheim genootschap dat zich tegen de bestaande orde keerde. Het lidmaatschap werd gekoppeld aan een ingewikkeld ritueel, waarmee de saamhorigheid en het onderling vertrouwen werden versterkt. Naarmate de benden groter werden, kreeg dat ritueel meer functie. Nadat ze de duivel hadden aangeroepen, beloofden de bendeleden dat ze het bestaan van de bende geheim zouden houden (zelfs tegenover de biechtvader) en dat ze elkaar niet zouden verraden wanneer ze onverhoopt mochten worden gegrepen. Verraders zouden worden gevierendeeld.

De eedaflegging, die de overgang van de gewone samenleving naar een geheim genootschap moest accentueren, vond meestal plaats in het holst van de nacht en ging gepaard met allerlei lugubere handelingen, waarbij bijvoorbeeld een doodskop of een afgehakte hand met een kaars erin een rol speelde.

Tijdens geheime samenkomsten (waarbij de drank rijkelijk vloeide) werden parodieën op kerkelijke rituelen uitgevoerd. Voor een geïmproviseerd altaar met een crucifix en een mariabeeldje zworen de bendeleden god en de heilige moeder gods af; ze riepen de duivel aan en beloofden alle goede werken te verzaken en veel kwaad te zullen doen. Dergelijke rituelen zijn typische voorbeelden van wat de Engelse sociaal-historicus E. P. Thompson het "counter-theatre' van de buitenstaanders heeft genoemd, een vorm van symbolisch verzet, waarbij de rituelen van de gevestigde orde door omkering belachelijk worden gemaakt. De naam Bokkerijders wekte onomwonden satanische associaties. Er werd gezegd ""dat zij snagts als zij uijt stelen gingen, op bokken reijden, deze bokken en zoude geene natuerlijke bokken geweest zijn, maer de duijvel'.

Soms werden er door Bokkerijders hogere idealen gesuggereerd, maar het lijkt er vooral op dat het lidmaatschap van de benden een doel op zichzelf was. Voor de betrokkenen bestond een nauwe band tussen lidmaatschap en identiteit. Blok suggereert terecht dat het spannend was om lid te zijn van een clandestien gezelschap, en dat het leuk was om gezamenlijk op pad te gaan en te spotten met gevestigde waarden. Het lidmaatschap van de benden bood outsiders de gelegenheid om op gezette tijden de rollen eens om te draaien.

IN DE MOND GELEGD

Het probleem bij studie naar de Bokkerijders is dat de belangrijkste bronnen de processtukken van de overheid zijn. Op de verklaringen van beklaagden in die stukken kan echter niet zo maar worden afgegaan, omdat ze tot stand kwamen na verhoren waarbij meestal werd gemarteld. Het resultaat van de verhoren werd in belangrijke mate bepaald door de vragen die werden gesteld. De onderzoeker moet zich daarom steeds afvragen wat de autoriteiten wilden horen en wat ze met de processen wilden bereiken. Het is denkbaar dat de beklaagden woorden in de mond gelegd kregen en dat er "constructie van bovenaf' plaatsvond. Dat zou vooral kunnen gelden voor verklaringen omtrent de subversieve doelen van de benden, die het scherpe optreden van de justitie zouden legitimeren.

Blok twijfelt niet aan de geloofwaardigheid van de processtukken. Hij ontkent dat er in het geval van de Bokkerijders sprake was van constructies achteraf. Volgens hem waren het niet de ondervragers, maar de verdachten zelf die begonnen over de subversieve aspecten van het bendewezen. De autoriteiten waren vooral geïnteresseerd in de diefstallen en inbraken, en niet in de "hogere doelen' van de benden. Hij concludeert daarom dat we te maken hebben met de verbeeldingswereld van de bendeleden, niet met de preoccupatie van hun ondervragers.

Honderden Bokkerijders werden tussen 1741 en 1778 ter dood veroordeeld. De straf werd voltrokken op de in vroeg-modern Europa gebruikelijke theatrale wijze. De veroordeelden werden "ten exempel en afschrik' in de buurt van hun woonplaats voor de ogen van familie, buren, kennissen en nieuwsgierigen opgehangen. Soms werden ze vooraf nog gepijnigd; dat hing af van de aard van het delict. Had de veroordeelde uit kerken gestolen, dan kon een hand worden verbrand. Bij anderen werden de vingers waarmee de godslasterlijke eed was gezworen afgehakt. Ook degenen die slechts tot verbanning waren veroordeeld werden vaak eerst nog op het schavot gegeseld of gebrandmerkt. Op deze manier werden honderden bendeleden en hun familie te schande gezet.

Maar de Bokkerijders hadden het laatste woord. De schout van Ubach, die zich had onderscheiden door het fanatisme waarmee hij de benden had vervolgd, stierf in 1786 na ontvangst van een vergiftigde brief.