De winterschilder

BIJ DESKUNDIGEN rees onmiddellijk twijfel toen de restauratie van het schilderij "Who is afraid of Red, Yellow and Blue' van Barnett Newman in augustus, vijf jaar nadat het in het Stedelijk Museum vernield was, eindelijk was voltooid.

De restauratie-expert prof.dr. Ernst van de Wetering uitte de beschuldiging dat de restaurateur, Daniel Goldreyer, “op gigantische schaal heeft zitten schilderen op het schilderij van een ander”. Hier was dus geen sprake van een gerestaureerd doek van Barnett Newman, maar van een nieuwe, door Goldreyer over het origineel heengeschilderde versie, van een kopie.

De restaurateurs die schrokken van het resultaat zullen niet vreemd opkijken van het rapport dat het Gerechtelijk Laboratorium nu heeft uitgebracht. Het onderzoek wijst uit dat over het hele, door Newman met olieverf geschilderde doek, een laag alkydverf (een soort kozijnenverf) is aangebracht die niet meer is te verwijderen.

De eerste conclusie die zich aandient is dat Goldreyer de gemeente Amsterdam en ook de directeur van het Stedelijk Museum, dr. W.A.L. Beeren, om de tuin heeft geleid. Hij hield tegen alle kritiek in staande dat hij "net als Newman' acrylverf had gebruikt en dan nog alleen daar waar de messneden de verf hadden beschadigd. Evenals Newman had hij het doek op het laatst voorzien van een beschermende, transparante laag. Goldreyer ging zelfs zo ver dat hij dreigde Van de Wetering te zullen aanklagen wegens smaad.

DE UITKOMST van het onderzoek van het Laboratorium roept niet alleen vragen op over de rol van Goldreyer, maar evenzeer over die van museumdirecteur Beeren. Hij heeft zich halsstarrig achter Goldreyer en zijn methode opgesteld: de restauratie, zo hield hij vol, was “goed en bevredigend” verlopen. Beeren ondernam aan het begin van dit jaar geen actie nadat een van zijn eigen restaurateurs hem had gewaarschuwd dat Newmans doek op een ontoelaatbare manier werd overgeschilderd. Opmerkelijk genoeg schreef Beeren in oktober dat bij de restauratie van dit schilderij het accent niet op handschrift en textuur lag. Dat leek hem geen bezwaar aangezien het bij dit werk van Newman toch meer om de “impact” gaat dan om de “plastische kwaliteit”. Als hij dit werkelijk vindt, als de verfstreek, de kleurnuances minder ter zake doen, waarom was het dan nodig het doek te laten restaureren? Dan had een kopie kunnen volstaan. Dit veel goedkopere alternatief is hem ook gesuggereerd, maar het is nooit serieus overwogen. Terecht: want het gaat bij dit doek wel degelijk om verfstreek en kleurnuances. Maar die zijn nu voorgoed verdwenen.

Toen de kritiek eenmaal was losgebarsten bleek Beeren niet bereid tot een openbare discussie over dit stuk openbaar kunstbezit, zijn houding verstarde en hij legde zijn museumstaf zelfs een zwijgplicht op. Met dit alles heeft Beeren zijn positie als directeur van het Stedelijk Museum in het geding gebracht.

WAT MOET er nu met het ten tweede male verminkte schilderij van Newman gebeuren? Om het achter een soort vloerbarricade en geflankeerd door twee bewakers in de erezaal te exposeren, zoals tot voor kort het geval was, lijkt wat overdreven. Het schilderij bestaat niet meer, het is een curiosum geworden, een curiosum met een treurige geschiedenis.