"De toestand is ernstig maar geenszins hopeloos'; Pearl Harbor en het einde van "ons' Indië

Drie maanden lagen tussen de Japanse aanval op Pearl Harbor, vandaag precies een halve eeuw geleden, en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. Hoe heeft de Japanse opmars zo voortvarend kunnen geschieden? Een uitgeschakelde Amerikaanse vloot, misplaatst Europees superioriteitsgevoel en onderschatting van de militaire kracht van Japan kunnen als belangrijke factoren worden genoemd.

In het niet eerder gepubliceerd rapport van een aantal KNIL-officieren, reeds enkele weken na de bezetting van Nederlands-Indië geschreven, wordt scherpe kritiek geleverd op de bewapening van de Indische weermacht. Eén van de schrijvers, kapitein S.H. Spoor, de latere generaal, was van mening dat het Nederlandse koloniaal beleid te veel door "geestelijke voogdij' was beheerst, waardoor de inheemse bevolking ervan werd weerhouden de Japanse aanvaller met een gezamenlijk ideaal tegemoet te treden. "De politieke voorbereiding van de oorlog tegen Japan heeft schromelijk gefaald', aldus Spoor.

Als Nederland meer begrip aan de dag had gelegd voor de Indonesische aspiraties, zou Japan in Nederlands-Indië minder succes hebben gehad en zou na de oorlog Nederland de archipel mogelijk wel zijn kwijtgeraakt, maar onder betere condities.

Het is enkele uren na het vernietigende Japanse bombardement op Pearl Harbor, de Amerikaanse marinebasis in Hawaii. In Batavia staat Jan Eggink op. Het is kwart over zes in de ochtend en in Indië dan al maandag 8 december 1941. In zijn oorlogsdagboek, dat hij onlangs voor zijn kinderen heeft overgetikt, schrijft hij: ""Vanmorgen op de gewone tijd opgestaan. Alle deuren open om de heerlijke ochtendkoelte binnen te laten. Dan de radio aangezet om naar de nieuwsberichten van half zeven te luisteren. Toen ineens een ernstige, bewogen stem. De stem van de Gouverneur-Generaal. Nog voordat ik één woord gehoord had, begreep ik dat het lot gevallen was. De spanning van de laatste weken was gebroken. (...) Ik luisterde en voelde me koud worden, ijskoud. Oorlog!''

Jan Eggink, inmiddels 82 jaar en directeur in ruste van de Nederlandse afdeling van Unicef, was in 1938 met zijn vrouw en twee kinderen uitgezonden naar Nederlands-Indië. Hij werd onderdirecteur van het Bataviase reclamebureau De Globe. ""Ons bureau'', vertelt Eggink in zijn Haagse flat, ""was in 1941 door het Departement van Oorlog ingeschakeld voor de campagne van de Commissie voor de Weerbaarheidspropaganda. Wij maakten voornamelijk teksten voor advertenties. Eén ervan, die ik zelf had bedacht, herinner ik me nog heel goed: "In deze oorlog gaat het om drie dingen: olie, olie en olie'. Ook gaf de commissie een blaadje uit, Geeft Acht. We moesten heel terughoudend zijn. Hoewel iedereen zag dat de dreiging uitsluitend kwam van Japan, mocht dat land in onze propgandateksten niet worden genoemd, Nederlands-Indië was immers neutraal. Achteraf gezien belachelijk, zeker als je het vergelijkt met de felle anti-Nederlandse propaganda die Japan tegen ons voerde.''

In zijn dagboek op diezelfde achtste december: ""De campagne van de Commissie voor de Weerbaarheidspropganda zal nu een heel ander aanzien krijgen. Nu hoeven we niet meer voorzichtig te zijn met onze bewoordingen; nu mogen we man en paard noemen. De eerste ideeën voor nieuwe advertenties die het moreel van het publiek moeten verhogen, komen in mij op.''

Egginks eigen moreel kreeg diezelfde dag nog een geduchte dreun. 's Avonds bij thuiskomst hoorde hij van zijn vrouw dat een massale hamsterwoede was uitgebroken. Zijn dagboek: ""De toko's zijn letterlijk bestormd door zenuwachtige huisvrouwen die voor een maand levensmiddelen inslaan. De vrouwen die hun burgerplicht begrepen hebben en slechts dàt besteld hebben wat direct nodig is, zijn de dupe van de onruststokers die uitsluitend aan zichzelf denken. Heeft nu al onze propaganda zo weinig uitwerking gehad? Het is treurig, diep treurig! De winkels moesten door de politie worden afgezet om te voorkomen dat de vrouwen de zaken plunderden. Zo verliep de eerste oorlogsdag.''

Mozambique

Op die eerste oorlogsdag werden onmiddellijk alle Japanners en hun gezinnen geïnterneerd. Dat waren er circa 1.200. In de maanden daarvoor hadden al zo'n 5.000 Japanners het land verlaten. De interneringskampen waren al eerder in gereedheid gebracht. Na enkele weken werden zij met twee Nederlandse schepen, de Cramer en de Van Heemskerk, naar Australië gebracht en dáár geïnterneerd. Een aantal van hen was in de loop van 1942 alweer terug op Java. Zij waren via de Portugese kolonie Mozambique uitgeruild tegen geallieerde diplomaten. De enige Nederlanders die als gevolg van de ruil Java nog mochten verlaten, waren de kinderen van de Nederlandse ambassadeur in Manilla.

Onder de Japanners die via Mozambique naar Japan terugkeerden was de correspondent van het officiële Japanse persburerau Domei in Batavia. Eind september 1942 verschijnt in verschillende Indonesische kranten in Indië - de Nederlandse kranten zijn eind april verboden - een artikel van zijn hand in het Nederlands. Het is een gruwelijke beschrijving van de tocht naar Australië, waarbij verscheidene Japanse burgers zouden zijn omgekomen. Of zij inderdaad zo ruw zijn behandeld als weergegeven, is moeilijk na te gaan, maar zeker is dat hier pure propaganda wordt bedreven. Het verslag is duidelijk bedoeld om de Nederlanders ervan te overtuigen hoe gelukkig zij mogen zijn met de menselijke manier waarop de Japanse bezetter hen nu tegemoet treedt.

Jan Eggink wordt meteen na 8 december gemobiliseerd. Nooit meer heeft hij een woord weerbaarheidspropaganda geschreven. De kranten nemen de weerbaarheids- of beter gezegd de oorlogspropaganda over op een manier die Eggink zeer ergert. Zijn dagboek: ""In de kranten verschijnen bespiegelingen die kant noch wal raken. Japan pleegt zelfmoord, is de algemeen gangbare mening. Maar de Japanners gaan rustig hun gang. Een deel van onze vloot en onze luchtmacht is reeds naar Malakka gezonden. Eén onzer onderzeeërs bracht vier Japanse troepentransportschepen tot zinken. Maar donderdagavond kwam het bericht dat het Engelse slagschip Prince of Wales en de kruiser Repulse verloren zijn gegaan. Toen werd eerst goed duidelijk dat alle verhalen over de inferioriteit van het Japanse materiaal geklets zijn. (...) Waarom wordt ons niet gezegd dat de Japanners uitstekend uitgeruste en goed geoefende tegenstanders zijn?''

Jan Eggink weet de chaotische en kortstondige strijd tegen het Japanse leger op Java met veel geluk te overleven. Begin maart, dus enkele dagen voor de capitulatie, noteert hij: ""Er kwam een officier vertellen dat de toestand wel ernstig, maar in geen enkel opzicht hopeloos was. Het ging er om vol te houden; de Amerikaanse versterkingen waren onderweg en elke dag was winst. De Japanse invallers waren zo niet verslagen dan toch wel teruggeworpen.'' En later, terugblikkend: ""O, vervloekte leugens. Hadden we toen geweten dat de boel al lang verkocht en verraden was, dat onze officieren ons vrijwel overal in de steek lieten.''

Meteen na de Japanse bezetting, in maart 1942, raakt Eggink in krijgsgevangenschap; na enige tijd wordt hij te werk gesteld aan de beruchte Pakan Baru-spoorweg op Sumatra. Na de Japanse capitulatie in augustus 1945 wordt hij zwaar ziek overgebracht naar een Brits militair hospitaal in Malakka. Zijn vrouw en vier kinderen hebben ternauwernood het vrouwenkamp op Java overleefd. Het gezin wordt eind 1945 in Singapore herenigd en vertrekt met één van de eerste schepen naar Nederland.

Onderschatting

Hoewel men zich in november en begin december 1941 in Washington, Singapore en Batavia in toenemende mate ongerust maakte over een Japanse aanval naar het Zuiden, werd aan geallieerde zijde de kracht van de Japanse krijgsmacht sterk onderschat. ""Deze Aziaten'', herinnert dr. L.G.M. Jaquet zich, ""werden niet in staat geacht een vernietigende slag toe te brengen aan Amerikanen, Britten of Nederlanders, laat staan in enkele maanden de Britse en Nederlandse koloniën te veroveren. Die onderschatting kwam voort uit een Europees superioriteitsgevoel. De paar mensen in Batavia die de Japanse dreiging wel volkomen serieus namen, werden als defaitisten weggehoond en soms zelf als pro-Japans bestempeld.''

Jaquet, 79 jaar, gepensioneerd als hoge ambtenaar van Buitenlandse Zaken en auteur van het boek Aflossing van de wacht (1978), was in die dagen werkzaam bij de Dienst der Oost-Aziatische Zaken (DOAZ). ""Achteraf is gebleken'', zegt Jaquet, ""dat die arrogantie ten opzichte van de tegenstander wederzijds was. De Japanners zijn ervan uitgegaan dat hun diplomatieke en militaire codes nooit door de geallieerden, dus ook niet door ons, konden worden gekraakt. Dat verklaart niet alleen de betrekkelijk grote successen van onze duikboten tegen de Japanse marine in de eerste dagen van de oorlog - we wisten uit ontcijferde codeberichten de positie van de Japanse oorlogskonvooien - maar het had een bijkomend voordeel. Toen de Japanners in maart 1942 Java bezetten, maakten zij geen jacht op mensen van onze inlichtingendiensten of onze cryptologen, ze wisten van hun bestaan niets af. Er werd alleen een aantal mensen aangepakt van de officieel bekende DOAZ.''

De Dienst der Oost-Aziatische Zaken, onder leiding van dr. A.H.J. Lovink, was oorspronkelijk ingesteld ten behoeve van Chinezen en Japanners die handel dreven of zich wilden vestigen in de Indische archipel. De DOAZ hield zich in de laatste jaren voor de oorlog echter steeds meer bezig met het volgen van Japanners, die inlichtingen inwonnen op militair-strategisch gebied, of andere verdachte activiteiten ontplooiden. Dat waren er heel wat. Eind januari 1942, ruim zes weken na de aanval op Pearl Harbor, publiceerde de Indische regering het boek Tien jaar Japans gewroet in Nederlands Oost-Indië. Daarin werden in detail de Japanse subversieve activiteiten in Nederlands-Indië beschreven, waaronder die van Japanners die via propaganda en geld Indonesische nationalisten voor de Japanse zaak: de "bevrijding' van alle gekoloniseerde volkeren in Zuidoost-Azië, trachtten te winnen. De Japanse overheid probeerde onder meer, overigens zonder veel succes, in 1940 op Java een pro-Japans dagblad in de Indonesische taal op poten te zetten. Ook werd via tal van fluistercampagnes onrust gezaaid onder de bevolking. Het Indische gouvernement stelde zich zeer terughoudend op uit vrees dat een reactie in Tokio als een "provocatie' zou worden opgevat.

""De Japanse bezetters'', licht Jaquet toe, ""gingen meteen op zoek naar de samenstellers van Tien jaar Japans gewroet. Ze wisten niet wie dat waren, maar onze dienst kenden ze wel. Het boekje was door anderen geschreven, maar door de DOAZ samengesteld. J.B. de Wilde en ik werden verhoord door de militaire politie Kenpeitai. Ze hebben De Wilde vele malen harder aangepakt dan mij. De Wilde heeft zelfs onder de meest verschrikkelijke martelingen nooit één naam genoemd, fantastisch! Ik heb het de regering achteraf kwalijk genomen dat zij de mensen van DOAZ, èn de mensen van inlichtingendiensten en cryptologen, niet vlak voor de Japanse bezetting in veiligheid heeft gebracht. Ik heb ook nooit begrepen waarom wij het uitgebreide archief over Japanse spionage-activiteiten en ander gestook hebben moeten verbranden voordat de Jap kwam, in plaats van het aanbod van een bevriende diplomaat te aanvaarden om het uit Indië weg te halen. We zouden er veel aan gehad hebben.''

"Top Secret'

Het uitgangspunt van gouverneur-generaal jhr.mr. A.F.L. Tjarda van Starkenborg Stachouwer was dat een massale vlucht van Nederlanders demoraliserend zou werken op de Nederlandse, maar ook de inheemse achterblijvers. Ook bestond de vrees dat bij het vertrek van veel mensen het Indische gouvernement grote moeite zou hebben zijn gezag na de oorlog te herstellen. Daarom mochten degenen die naar Australië gingen hun gezinnen ook niet meenenem. Tjarda bleef zelf ook en werd samen met nog enkele tientallen hoge militairen en ambtenaren geïnterneerd. De G-G stuurde zijn tweede man, luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook, naar Australië om daar met andere gevluchte functonarissen de Indische regering in ballingschap te leiden.

Onder de mensen die in maart '42 in Australië arriveerden, was een groep KNIL-officieren. Zij zetten zich meteen aan een analyse van de verloren strijd tegen Japan. Eind maart reeds verscheen een 76 bladzijden tellend rapport. De conclusie uit dit nooit eerder gepubliceerde "Top Secret'-rapport: de bewapening van de Indische weermacht was ernstig te kort geschoten en de samenwerking met de Britten en Amerikanen was niet optimaal geweest. Over het moreel van de strijdkrachten wordt een aantal interessante opmerkingen gemaakt. De Europese militairen komen er over het algemeen heel goed af, met uitzondering van de stadswachten - nauwelijks getrainde Europeanen. Van de inheemse KNIL-militairen krijgen de befaamde Ambonezen een flinke onvoldoende. Alleen op Ambon zelf hebben zij een goede strijd geleverd.

Een ander groepje inheemse militairen wier moreel snel was geknakt, waren de zogeheten Legioennairs, Javaanse militairen die deel uitmaakten van het Legioen Mangkoe Negoro, het legertje van de de zeer pro-Nederlandse sultan van Surakarta. In het rapport staat niet vermeld dat een bataljon van rond honderd man van deze Legioennairs in het begin van de strijd naar Malakka is vertrokken in een poging de vijand daar tegen te houden. Niet één van hen heeft de confrontatie met de Japanse militaire "stoomwals' overleefd. Er is geen enkel gedenkteken voor deze Indonesische gevallenen voor de geallieerde zaak.

Spoor

Het interessantste deel van het rapport is dat van stafofficier kapt. S.H. Spoor, die later in Australië de Indische militaire inlichtingendienst (Nefis) zou oprichten en in 1946 legercommandant werd van de Nederlandse strijdkrachten in Indonesië. Spoor is weinig vleiend over de wijze waarop de inlichtingen- en propagandadiensten in Indië samenwerkten. Er was geen eenhoofdige leiding, stelt hij, waardoor de diensten langs elkaar heen werkten. Ook kritiseert hij het onvermogen van de Indische overheid de inheemse bevolking enthousiast te maken om de Japanse vijand met een gezamenlijk ideaal te bestrijden.

""Zoals de toestand op 8 december 1941 was'', aldus Spoor, ""kon zeer zeker niet worden gesproken van een bewust en bezielend ideaal onder de inheemse troepen. Zij dienden de "kompenie' en hun commandanten en deden in algemene zin hun plicht, omdat zij dat hadden geleerd. Maar in de moderne oorlog is dit niet genoeg; er wordt meer van het individu gevraagd en men kan slechts verwachten, dat er ook meer wordt gegeven wanneer de juiste sfeer daarvoor is geschapen.''

Maar was dat wel mogelijk? Het Indische gouvernement smoorde immers elke poging van Indonesische zijde voor meer zelfstandigheid in de kiem, niet bepaald bevordelijk voor de eenheid tussen heersende Nederlanders en de inheemse bevolking. Het woord Indonesiërs of Indonesië mocht zelfs niet worden gebruikt, hoewel Spoor dat in zijn analyse hier en daar wel doet.

Spoor noemt de afwijzing van nationalistische wensen niet met zoveel woorden, maar impliciet refereert hij er wel aan: ""Een volledige "war-mindedness' en bereidheid tot het brengen van offers kan worden bereikt, wanneer zij overtuigd is van de noodzaak het offer te moeten brengen ten bate van land en volk. Met andere woorden, slechts de lijn welke in de koloniale politiek wordt gevolgd ten aanzien van de inheemse bevolking bepaalt de mogelijkheid tot geestelijke weerbaarheid. (...) Juist het gevaar van de oorlog had de gelegenheid kunnen openen de wederzijdse belangen te doen versmelten tot een bewust streven van krachtige geestelijke weerstand tegen elke aanvaller. Een dergelijk samengaan dient evenwel - uit militair-politiek oogpunt bezien - reeds lange tijd vóór het uitbreken van de oorlog te worden voorbereid en door een goede voorlichting en propaganda tot uitvoering te worden gebracht.''

Spoor concludeert tenslotte dat de politieke oorlogvoorbereiding schromelijk heeft gefaald, doordat het koloniaal beleid te veel werd beheerst door wat hij noemt "geestelijke voogdij'.

Anti-Japans

H.M.W. ("Pip') de Haas, 88 jaar, toentertijd journalist in Indië, deelt Spoors kritiek. ""Men heeft het in Indië gewoon niet aangedurfd de bevolking massaal te mobiliseren tegen Japan. Er werd pas in 1941 en dan nog een kleine, slecht getrainde inheemse militie opgericht. Japanse propaganda over uitbuiting van de bevolking die door Japan "bevrijd' zou worden, bleef onweersproken. Het overgrote deel van de nationalistische Indonesiërs met wie ik regelmatig contact had en wier bijeenkomsten ik voor de krant versloeg, moesten ook niet veel van Japan hebben. Sommigen waren fel anti-Japans, zoals Tjipto Mongoekoesoemo, een bekende figuur in Bandung, maar de meesten namen een afwachtende houding aan. Dat gold, denk ik, ook voor de meerderheid van de Indonesische bevolking.''

Ook De Haas vindt dat de Japanse dreiging destijds ernstig is onderschat: ""Als die Europeanen in Indië niet zo superieur en tegelijk zo struisvogelachtig waren geweest, was Indië nog wel verloren gegaan, maar was de klap moreel gezien minder hard aangekomen.''