"De harde gulden wordt niet ingeruild tegen een slappe Europese munt'

Nee, zegt de president van De Nederlandsche Bank, de harde gulden wordt niet ingeruild tegen een slappe Europese munt. “Ik geloof niet dat we iets goeds inruilen voor iets halfzachts. Ik ben blij dat de onafhankelijkheid van de toekomstige Europese centrale bank onomstreden is en in het verdrag van de economische en monetaire unie (EMU) gehandhaafd is.”

Dr. W.F. Duisenberg is zeer te spreken over het ontwerp-verdrag voor de EMU dat op de top in Maastricht moet worden bekrachtigd. Het resultaat is in niet onbelangrijke mate aan Wim Kok te danken. “Toen Kok deze week de onderhandelingen in Brussel afsloot, zijn de ministers van financiën spontaan in een landgdurig applaus uitgebroken voor hem. Zoiets is bij mijn weten nooit eerder gebeurd”.

Frankrijk kwam begin deze week met een voorstel om de overgang naar één munt, desnoods voor een beperkt aantal landen, zeker te stellen. Eind 1996 moeten de Europese regeringsleiders en het Franse staatshoofd hierover met unanimiteit een beslissing nemen. Lukt dat niet, dan kunnen ze eind 1998 volstaan met een eenvoudige meerderheid van stemmen om de stap naar de monetaire unie te zetten.

“In beginsel is besloten dat we voor het einde van deze eeuw de gulden zullen inruilen voor een Europese munt”, verzekert Duisenberg. Hij noemt het Franse voorstel inventief: “Het stelt zeker dat we op weg naar EMU niet voor verrassingen komen te staan door landen die het willen blokkeren.” En hij vervolgt: “Ik ben ook blij dat uitgerekend Frankrijk heeft voorgesteld het proces onomkeerbaar te maken. Dat neemt mijn achterdocht weg dat Frankrijk in wezen tevreden zou zijn met een overgangsfase en nooit de definitieve stap naar de slotfase zou willen zetten.”

Welke rol houdt De Nederlandsche Bank als de Europese centrale bank eenmaal is opgericht?

Minder, maar toch nog een boel. De nationale centrale banken worden belast met de uitvoering van het beleid van de ECB en in ieder geval blijft hier de verzorging van de circulatie van bankbiljetten bestaan. Dat is niet zo'n spectaculair bedrijf, maar wel een van de meest arbeidsintensieve taken van de Nederlandsche Bank. Belangrijker is het toezicht op het bankwezen. Dit terrein leent zich bij uitstek voor het subsidiariteitsbeginsel en zal nationaal blijven. In het verdrag is opgenomen dat dat de ECB een taak krijgt bij het banktoezicht, want er moet ergens een forum zijn waar afspraken over het toezicht worden gemaakt. Duitsland heeft zich fel verzet tegen iedere toespeling op toezicht in het verdrag, maar Kok is erin geslaagd het, op ons verzoek, toch in de tekst te krijgen.

Mag ieder land straks naar eigen inzicht zijn eigen Europese bankbiljet ontwerpen?

Op zichzelf is het uiterlijk van de toekomstige bankbiljetten onbelangrijk, maar het heeft een grote psychologische betekenis. Bij het begin van de derde fase komt trouwens niet automatisch Europees geld in omloop. Dan wordt de ECB opgericht en worden de wisselkoersen onverbrekelijk aan elkaar vastgeklonken. Daarmee kunnen materieel elf verschillende muntenstelsels blijven bestaan, maar ze zijn altijd tegen dezelfde prijs onderling inwisselbaar. Dan is het natuurlijk logisch dat je vervolgens overgaat op één andere munt.

De uitgifte van nieuwe bankbiljetten is pure techniek. Een werkgroep onderzoekt wat logistiek nodig is om hetzij geharmoniseerde nationale bankbiljetten, hetzij één bankbiljet voor Europa uit te brengen. Tussen het ontwerp en het moment waarop bankbiljetten in omloop komen, ligt normaal gesproken drie à vier jaar. Bij een Europees bankbiljet zal dat veel langer duren, denk alleen maar aan het probleem van de maat die de biljetten moeten hebben.

Het gaat trouwens om miljardeninvesteringen. Bij alle banken, bij grootwinkelbedrijven, bij benzinestations, overal moeten geldautomaten geschikt worden gemaakt. Stel dat de EMU in januari 1999 van start gaat, dan zal het nog jaren kunnen duren voordat de nieuwe bankbiljetten er zijn. De guldensbiljetten zullen dus nog wel een tijd in omloop blijven.

De nationale centrale banken brengen een deel van hun reserves in bij de Europese centrale bank. Wat doet Nederland met de rest van zijn reserves en met zijn goud?

De reserves die overblijven zullen we fatsoenlijk beheren, maar we mogen er niets meer mee doen zonder toesteming van de ECB. Wat wij bijvoorbeeld belegd hebben in Amerikaans schatkistpapier, zal worden herbelegd. Dat heeft dus geen enkele monetaire invloed. Dat blijven we doen. De beleggingsopbrengst van die reserves dragen bij aan de bedrijfswinst van De Nederlandsche Bank en gaat naar de Staat der Nederlanden. Dat blijft zo. Goud blijven we ook aanhouden, voor tijden van uiterste nood, denk aan een oorlog of bezetting. Dat nationale belang blijft nog heel lang gehandhaafd. Zoals een Engelsman eens tegen mij zei: "It is unthinkable that Her Majesty would give away her war chest to Brussels'.

Door ons te verbinden aan de overgang naar de slotfase van de EMU geven we onze harde gulden weg. Waarom bent U daartoe bereid?

Ik geloof niet dat we de gulden weggeven. We krijgen een onafhankelijke monetaire instelling met één primaire doelstelling: prijsstabiliteit. Op papier is een even sterke instelling gecreëerd als de Bundesbank. Daarmee zijn de kansen zo groot mogelijk dat we de gulden voor iets even hards inwisselen. Duitsland en Nederland kunnen dit aan. Voor de zwakkere landen worden de problemen groter, zij krijgen een harde munt in een zwakke economie. Tot op zekere hoogte zullen ze problemen krijgen, natuurlijk niet zo extreem als die van Oost-Duitsland.

Tot uiterlijk twee jaar voordat de monetaire unie een feit is, kunnen de wisselkoersen worden aangepast. Betekent dat de komende tijd onrust in het Europese monetaire stelsel?

Enigszins tot onze eigen verbazing hebben we nu een periode van vijf jaar achter de rug waarin geen echte herschikking in het EMS heeft plaatsgehad. In de overgangsfase zijn de wisselkoersen niet onverbrekelijk aan elkaar verbonden dus ik sluit niet uit dat er nog eens een aanpassing komt. Maar ik geloof niet dat we een periode van grotere instabiliteit tegemoet gaan. Een land kan trouwens niet unilateraal zijn wisselkoers veranderen, daarover moet je het met de overige EMS-landen eens worden.

Bovendien zijn binnenkort alle financiële markten volledig vrij. Dan is het waarschijnlijk dat inflatieverschillen vanzelf naar elkaar toe zullen kruipen en grotendeels zullen verdwijnen. Zoals er praktisch ook geen inflatieverschillen zijn in Nederland. Een haring kost evenveel in Groningen als in Scheveningen.

Waarmee zal Nederland bij de aanpassing aan de criteria voor deelname aan de monetaire unie de grootste problemen krijgen?

Met het begrotingsbeleid. Zo langzamerhand komen we dicht bij de eis van een financieringstekort van maximaal drie procent van het bruto binnenlandse produkt, maar we hebben een veel te hoge staatsschuld. In het verdrag is vastgelegd dat de staatsschuld als percentage van het BBP maximaal 60 procent mag zijn. Om aan dat criterium te voldoen moeten we doorgaan met vermindering van het financieringstekort.

In Den Haag circuleert een voorstel om de Nederlandse staatsschuld wat minder te laten lijken door de pensioenvoorzieningen voor de ambtenaren, het vermogen van het ABP, ervan af te trekken.

Ik vind dat een zeer onverstandig idee. Als je daarmee eenmaal begint, weet iedereen wel wat te vinden. Wie belet Frankrijk dan om de netto-vermogenspositie van Crédit Lyonnais, een staatsbank, te gebruiken om de omvang van de staatsschuld te verminderen? Italië heeft enorme staatsbedrijven waarvan je het vermogen kunt consolideren met dat van de centrale overheid. Je opent op die manier een sluis die je nooit meer dicht krijgt. Ik hoop dat deze gedachte in Maastricht verlaten wordt. Het probleem van de omvang van de staatsschuld is de rente. De rentelasten die op de begroting drukken, verminder je niet door het vermogen van het ABP wel of niet mee te tellen. Minister Kok heeft dat ook duidelijk gezegd in de Kamer.

Bij de verdeling van het aandelenkapitaal in de Europese centrale bank is Nederland er bekaaid van afgekomen met een aandeel van 4,5 procent.

Tot onze spijt is vastgesteld dat de verdeling van het aandeel, de winst en van het stemrecht in die gevallen waarbij niet de standaardregel geldt van "één land, één stem', gebaseerd wordt op 50 procent bruto nationaal produkt en 50 procent bevolkingsomvang. Nederland wilde daaraan graag een financieel-economisch criterium toevoegen, maar dat is niet gelukt. Onze inbreng in de Europese Centrale bank is nu vastgesteld op 4,5 procent, minder dan de helft van het aandeel dat de gulden heeft in de huidige samenstelling van de ECU. Ook in het IMF beschikt Nederland over ongeveer 9 procent van het aandeel van alle EG-landen. De verdeelsleutel waarvoor gekozen is, komt voor Nederland en België het meest ongunstig uit. Duitsland profiteert extra van zijn toegenomen bevolkingsomvang en een land als Spanje, dat niet zo'n groot BNP heeft, krijgt ook extra gewicht dank zij het bevolkingcriterium.

Op het ogenblik bepaalt de Bundesbank het rentebeleid van alle Europese landen. Zal de ECB werkelijk een einde maken aan die greep van de Bundesbank?

Er bestaat straks geen zelfstandig monetair beleid meer in Duitsland. Daarmee is de tijd voorbij dat de nationale centrale banken de Bundesbank moeten volgen. Het monetaire beleid wordt dan gevoerd door de ECB, met als doelstelling prijsstabiliteit en uitgevoerd door een centrale bank die onafhankelijk van de regeringen is. De nationale bankpresidenten hebben zonder last of ruggespraak zitting in de bestuursraad van de ECB. Ze zullen bij de vaststelling van hun beleid uitsluitend kijken naar monetaire gegevens. Door het wegvallen van het wisselkoersinstrument zal een grotere druk komen te staan op andere beleidsinstrumenten: het begrotingsbeleid, de loonontwikkeling en de belastingdruk.

Nationale overheden behouden de mogelijkheid voor een eigen begrotingsbeleid. Al is die ruimte veel minder groot dan we in Nederland vaak denken. We denken dat we ons een eigen belastingbeleid kunnen permitteren, maar dat is niet vol te houden. Ik maak me steeds meer zorgen over de trek van Nederlanders over de grens naar België en ook naar Duitsland.

Hoe verklaart U, in vergelijking met het gemodder bij het verdrag voor de politieke unie, het waarschijnlijke succes van de EMU?

De EMU kan een succes worden in Maastricht, omdat het goed is voorbereid. Er is ruim drie jaar aan gewerkt, eerst door de Commissie-Delors, daarna de onderhandelingen tussen de twaalf centrale bankpresidenten, de centrale banken en de regeringen en uiteindelijk op regeringsniveau.

Grafiek: EG-landen die willen meedoen aan één munt en één centrale bank in 1997 (of bij de herkansing in 1999) moeten aan vijf harde voorwaarden voldoen. Deze betreffen de inflatie, het begrotingstekort, de rente, de overheidsschuld en de wisselkoers. Aan bovenstaand schema valt af te lezen welke landen in 1991 al aan die voorwaarden voldoen. De vijfde voorwaarde, de wisselkoers, staat niet in dit schema. Dat komt doordat voor de wisselkoers een termijn als voorwaarde geldt. De nationale munt moet ten minste twee jaar meedoen aan het Europese Monetaire Systeem. Bovendien moet zij zich deze twee jaar bevinden binnen de zogenoemde smalle band van het EMS.