Bea's boom

In maart 1990 stond op de voorpagina van de New York Times een foto van een achttienjarige leukemiepatiënte met een baby op haar arm. Het onderschrift luidde: “Mijn zusje redt me.”

Na jaren zoeken naar een geschikte donor hadden de ouders, van wie de vrouw eind veertig was, besloten een nieuw leven te scheppen dat als reddend medicijn moest dienen. Volgens het artikel zou de zuigeling over een paar maanden oud genoeg zijn voor een beenmergdonatie.

In Het Kalkoenalarm heb ik dit voorval opgenomen als voorbeeld hoe het uit de Oude Wereld meegedragen gevoel voor ethiek in de Verenigde Staten bij tijd en wijle op het verkeerde been wordt gezet.

Op Calvin College, Grand Rapids, lees ik deze passage voor aan een groep studenten van nog geen twintig jaar. Ze zien er fris uit, monter en goed gekleed. Iedereen is wit en niemand lijkt armoedig. Wanneer ik voorlees over mijn verbazing dat de ouders van Carla enerzijds goede gelovigen zeggen te zijn die Gods wil in het leven als de hoogste beschouwen en anderzijds zich Gods scheppingsbevoegdheid hebben toegeëigend, wordt het rumoerig in het lokaal. Alras blijken de studenten niet over deze paradox te willen nadenken. Ze vatten mijn constatering op als kritiek en bestoken me met vragen en opmerkingen die eerder hun ergenis dan hun belangstelling verraden.

Bovendien ben ik een vertegenwoordiger van Europa waar de zondigste zaken zijn toegestaan.

“In Europa is het aantal abortussen erg hoog!”, verwijt een meisje mij op felle toon.

“Hoog ten aanzien van wat, van waar, van wanneer?”, vraag ik.

“Wat vind je ervan dat het bij jullie toegestaan is jezelf te doden?”, stelt een jongen, als het meisje geen antwoord geeft. Hij meent dat "euthanasie' vertaald moet worden met "to kill yourself'. Een ander vraagt: “Wat versta jij onder eerbied voor het leven?”

Buiten heerst de Indian Summer: zon, 25 graden, en binnen voel ik de hitte van de brandstapel. Ik was er niet op voorbereid harde, dogmatische en niet aan feiten gerelateerde taal te horen, zeker niet uit de mond van zulke jonge mensen.

Even later word ik naar het gastenverblijf gebracht, een ruime en riante villa op een heuveltop, uitkijkend over een campus in herfstkleuren. Sydney Groeneveld, de vriendelijke, oude beheerder wiens ademhaling een ernstig emphyseem verraadt, wijst me op een boom naast de oprijlaan:

“Je hebt geluk: de koninklijke boom is oranje. Dat gebeurt maar twee dagen per jaar.”

In 1982 was koningin Beatrix in de Verenigde Staten voor de viering van tweehonderd jaar vriendschap tussen de beide landen. Ze bracht ook een bezoek aan Calvin College, dat in 1857 door Hollandse, gereformeerde kolonisten werd opgericht. De tuinman, Pieter Van Kempen, zocht de sunset red maple tree uit voor haar om te planten. In tegenstelling tot de naam is de sunset red maple de enige die oranje kleurt.

Dr. Diekema, de president van Calvin, hield de kluit vast en met negen scheppen aarde dichtte Beatrix het voorgegraven gat en negen jaar later aanschouw ik voor het eerst een oranjeboom.

Want oranje is hij! De talloze bladeren vangen het zonlicht en stralen alsof ze lampionnen zijn. Maar dit natuurverschijnsel heeft ook iets wrangs: de boom kleurt in de Indian Summer, de warmtegolf na de eerste vorstperiode. Door de vorst verliezen de bladeren hun greep aan de takken en bij een zuchtje wind vallen ze af. Zo dient de winter zich aan met een sneeuwstorm van bladeren en als troost zijn er enkele dagen van zomerse warmte in een kalend landschap.

Deze paradox ontsnapt aan de almachtige tussenkomst van de mens.

Terwijl we de boom staan te bewonderen, steekt er een harde wind op. De takken beginnen te zwiepen, de bladeren tonen hun onderkant die dof van kleur is en vliegen dan door de lucht. Nog twee windvlagen en Bea's boom is kaal: een boom onder de bomen.