Zonder zijn masker is Leistra incognito; "Van Breukelen roept waarschijnlijk net zo hard als ik'; "Ik wil westerlingen ook wel eens op hun bek zien gaan'

EINDHOVEN, 6 DEC. Frank Leistra is de beste hockeykeeper van Nederland en waarschijnlijk zelfs van de wereld. Hij heeft ook de grootste mond in hockeyland. En die heeft hem al de nodige negatieve publiciteit bezorgd. Afgelopen zondag werd hij in de slotfase van de wedstrijd tegen Kampong uit het veld gestuurd. Hij kreeg niet - zoals radio en kranten meldden - een rode, maar een gele kaart. Waarvan acte. Maar verder wil Leistra er niet over praten. En daar is hij zeer resoluut in. Dan maar liever helemaal geen gesprek. “Ik hoef me er toch niet voor te verantwoorden dat het geen rood was.”

Leistra's club Tilburg kreeg met een veldspeler als keeper wel een doelpunt tegen waardoor Kampong nog met 4-3 won. “Dat is op dit moment niet meer dan een detail”, reageert Leistra. “Wat is nou een gele kaart? Er vallen er weet ik hoe veel. Dan ben ik toch niets meer of minder dan een ander. Het is een gele kaart. Basta.”

“Ik heb al anderhalf jaar geen normaal interview meer gehad”, stelt de 31-jarige doelman - 136 interlands - bijna verbitterd vast. “Eerst gingen de gesprekken alleen maar over Bianchi en nu weer over mijn grote bek. Daar heb ik geen zin meer in. Ik wil het wel eens gewoon over hockey hebben. Vragen genoeg, dacht ik. Hoe zijn de verwachtingen voor de Olympische Spelen? Haalt Van 't Hek Barcelona? Haalt Diepeveen het? En Leistra?”

Toch heeft Leistra er uiteindelijk geen moeite mee toch over zijn gedrag in het veld te praten. Want dat was functioneel, vindt hij. “Dat is wat anders dan dat er weer wordt gevraagd: zo en vertel nu eens over die grote bek van je.” Leistra vindt dat de verhoudingen scheef liggen. Hij wordt tegenwoordig vaak eerst als een schreeuwlelijk en een wildebras afgeschilderd en daarna pas als een goede keeper. Maar heel goed begrijpt hij zijn medespelers, tegenstanders en arbiters die vinden dat zijn gedrag in het veld soms niet door de beugel kan. “Natuurlijk, natuurlijk.” Hij spreekt van het “tegen de grens van het toelaatbare” spelen. Altijd. En automatisch gaat hij er dan weleens over heen.

Leistra is in alle opzichten een gedreven doelman. Hij heeft bijna een studie van het keepen gemaakt. “Ik denk dat een topsporter zo in elkaar móet zitten. Hij mag geen genoegen nemen met de middelmaat. De één uit zijn gedrevenheid zo en de ander zo. Van 't Hek doet ook veel met zijn mond, Diepeveen ook. Gelukkig maar dat niet iedereen het doet.”

Hij zou misschien beter in het voetbal passen. Daar gaat het er over het algemeen iets rauwer aan toe. Leistra zegt daar wel eens aan te hebben gedacht. Hij heeft geconstateerd dat er in het voetbal veel meer wordt geaccepteerd. “Wouters roept en scheldt ook constant tegen zijn medespelers. En Lerby moet het ook aan de lopende band hebben gedaan. Daar wordt alleen niet zo'n ophef over gemaakt. Hans van Breukelen en ik schreeuwen waarschijnlijk even hard en zeggen allebei dezelfde dingen, maar in zo'n groot voetbalstadion met 30 à 40.000 man wordt hij overstemd. Hij bereikt de tribunes nooit. De verdediger op tien meter haalt hij nog wel. In een hockeystadionnetje, waar anderhalve man een paardekop zit, hoor je alles. Maar zet maar eens een microfoon achter het voetbaldoel.”

Leistra maakte de heldendaden van collega Van Breukelen tegen Griekenland van nabij mee. Hij verbleef deze week als vertegenwoordiger van Philips, waar hij op de afdeling sponsoring werkt, drie dagen in Thessaloniki. Veel contact met de voetballers had hij niet. “Het zijn tijdens zo'n trip duidelijk twee gescheiden wereldjes, de spelers en het bestuur met de sponsors. Verschilt niet van het hockey.” Leistra begreep wel als geen ander uit de groep begeleiders precies wat er in de hoofden van de voetballers omging. De doelman bekent dat hij soms best de drang voelde om “naar de andere kant”, naar zijn collega-topsporters, over te stappen.

Leistra werd door de Nederlanders om hem heen in Griekenland niet of nauwelijks herkend als de nationale hockeydoelman. “Alleen als mijn naam werd genoemd ging er meestal wel een lampje branden”, aldus de doelman. “Ik sta ook altijd met een masker in het doel. Als ik mijn masker niet op heb ben ik dus incognito. Bij een ander is dat andersom. Zou ik bij wijze van spreken daar met dat masker rondlopen zouden de mensen waarschijnlijk wel zeggen: hé, dat is Leistra.” Collega Van Breukelen kende hij al. Jaren geleden zaten de twee voor een sportuitzending op tv naast elkaar in de schminkkamer. In Thessaloniki spraken ze na de wedstrijd “een kwartiertje” met elkaar. “We hebben het over een paar acties van Hans gehad, een beetje gedetailleerd, zeg maar.”

Leistra zegt een PSV'er te zijn. “Maar dat heeft niets met mijn werk bij Philips te maken. Het is puur chauvinisme. Ik ben een Brabander, Eindhovenaar. Ik wil die westerlingen ook wel eens op hun bek zien gaan. Bij het hockey lukt dat niet. Dan moet je naar alternatieven zoeken, hè.”

Zelf weet Leistra niet of hij ook een goede voetbalkeeper zou zijn. Hij heeft het, op een enkele keer na, nooit echt geprobeerd. “Het verschil tussen een voetbalbalkeeper en een hockeykeeper is enorm groot. Ik doe alles uit een lage stand. Doe veel met mijn benen. Een voetbalkeeper staat veel hoger en is meer los van de grond.” Toch probeert Leistra door goed te kijken wat van een doelman als Van Breukelen op te steken. “Dan gaat het om details. Met name om de manier waarop hij naar de grond gaat. Als er vanuit een hele scherpe hoek wordt geschoten dan heeft de voetbalkeeper een hele speciale techniek. Hij laat zich een beetje achterover vallen. In het hockey zie je dat niet. Nou, dat wil ik wel eens proberen.”

Hij voelde woensdagavond een natuurlijke verbondenheid met Van Breukelen. “Maar niet meer of minder dan met een handbal- of waterpolodoelman.” Keepers zouden een bijzonder slag mensen zijn. Waarom laten ze zich anders vrijwillig als schietschijf gebruiken? “Ik kan niet van mezelf zeggen of ik een tik heb”, zegt Leistra. “Laat een ander dat maar bepalen.” Hij weet niet beter. Leistra was zeven jaar toen hij met de mini's van zijn eerste club, HTCC uit Eindhoven, tegen EMHC moest spelen. Er was een keeper nodig. “En dat leek me wel wat. Ik had al mannen en vrouwen met van die mooie dingen om hun benen en voeten gezien. Vond ik stoer staan.” Leistra heeft daarna nooit meer iets anders gewild. “Een ander wil in de spits staan om die bal in de kruising te schieten. Ik hoop dat ze hem in de kruising slaan zodat ik 'm er mooi kan uitplukken.”