Wittgenstein

In zijn autobiografie (blz. 151-153, Utrecht-Antwerpen, 1978) schrijft Popper over zijn ontmoeting met Wittgenstein:

“Dit brengt mij op mijn ontmoeting met Wittgenstein, waarover ik de meest uiteenlopende en absurde verhalen gehoord heb. Aan het begin van het academisch jaar 1946-1947 nodigde de secretaris van de Moral Sciences Club in Cambridge mij uit om een voordracht te houden over de een of andere "filosofische puzzel'. Het was natuurlijk duidelijk dat de formulering van Wittgenstein afkomstig was en gebaseerd was op de filosofische these van Wittgenstein dat er geen echte filosofische problemen bestaan in de filosofie, maar alleen taalkundige puzzels. Omdat het een van de stellingen is waar ik de meest hartgrondige hekel aan heb, besloot ik te spreken over de vraag: "Zijn er filosofische problemen?' In mijn rede (-) liet ik eerst mijn verbazing blijken over het feit dat ik door de secretaris uitgenodigd was om in een voordracht "de een of andere filosofische puzzel' te noemen. Ik zei verder dat degene die de uitnodiging geschreven had, door impliciet het bestaan van filosofische problemen te ontkennen, wellicht zonder het te weten partij gekozen had in een kwestie die voortkwam uit een echt filosofisch probleem.

Ik hoef nauwelijks te zeggen dat dit alleen maar bedoeld was als een uitdaging en een wat speelse inleiding op mijn onderwerp. Maar op dat moment sprong Wittgenstein op en zei op luide en naar het mij toescheen boze toon: "De secretaris heeft precies gedaan wat hij moest doen. Ik heb het hem zelf opgedragen'. (-) Ik zei verder dat als ik dacht dat er geen echte filosofische problemen bestonden, ik zeker geen filosoof zou zijn. Ook zei ik dat het feit dat veel, of misschien wel alle, mensen gedachteloos onhoudbare oplossingen voor vele, zo niet alle, filosofische problemen aanvaarden, de enige rechtvaardiging is om filosoof te zijn. Weer sprong Wittgenstein op en viel mij in de rede. Hij sprak uitgebreid over puzzels en het niet bestaan van filosofische problemen. Op een ogenblik dat mij geschikt leek, onderbrak ik hem, en gaf hem een lijst met filosofische problemen die ik van tevoren had opgesteld. (-) Toen noemde ik morele problemen en het vraagstuk van de geldigheid van morele normen. Wittgenstein, die bij de open haard zenuwachtig met de pook had zitten spelen die hij soms als een dirigent door de lucht zwaaide om zijn beweringen kracht bij te zetten, riep mij toen toe: "Geef een voorbeeld van een morele regel!' Ik antwoordde: "Geen gastsprekers met poken bedreigen'. Waarop Wittgenstein woedend de pook neersmeet, de kamer uit stormde en de deur achter zich dichtsloeg.''

Gelet op deze passage: Hoe komt W.F. Hermans er bij dat Popper, jaloers op Wittgenstein, het praatje vertelde dat Wittgenstein er niet voor terugschrok de pook ter hand te nemen als hij iemand ideeën hoorde spuien die zijn verontwaardiging wekten? Hoe komt hij er verder bij dat Popper, wiens filosofie lijnrecht tegenover die van Wittgenstein staat (zoals ook uit deze passage blijkt), "alles van Wittgenstein had geleerd'?