Wim Kok over de onderhandelingen van economische en monetaire unie; Een karavaan kamelen op weg naar EMU

DEN HAAG, 6 DEC. Voor Sinterklaas had minister van financiën Wim Kok dit jaar geen tijd. De afgelopen maanden, weken en dagen is hij ononderbroken bezig geweest met de EMU, de economische en monetaire unie in de Europese Gemeenschap. Deze week presenteerde hij in Brussel het resultaat van de onderhandelingen: het ontwerpverdrag van de EMU was afgerond. Volgende week, op de top in Maastricht, moeten de laatste politieke knopen door de regeringsleiders worden doorgehakt. Dan is vastgelegd dat een aantal EG-landen voor het einde van deze eeuw zal overgaan op onverbrekelijk vaste wisselkoersen, één munt en één centrale bank.

In een lichte euforie vertelt Kok over de enerverende onderhandelingen in de richting van het het einde van de gulden, de D-mark, de franc en andere munten.

“ De afgelopen vijf dagen zijn slopend geweest. Vorige week vrijdagavond ben ik naar Brussel gegaan. Daar heb ik zaterdagochtend in alle vroegte met de Commissie gesproken en ben ik bij Martens, de Belgische premier, geweest. Vervolgens even langs huis om mijn kleren in de wasmand te gooien en nieuwe te halen. Zaterdagavond begon het overleg met de ministers van financiën in Scheveningen, dat ging zondag de hele dag door. 's Avonds hebben we in het Vredespaleis gegeten, het gesprek ging gewoon verder. Maandag in alle vroegte naar Brussel, door tot in de avond. Dinsdagochtend weer om negen uur begonnen, tot half twee in de ochtend van woensdag. Toen waren we klaar.

“Ik ken dat soort marathons wel uit een vroegere fase van mijn leven. Het komt over je heen, je denkt er niet bij na, het is een soort tredmolen waarvan je zelf het tempo moet bepalen. Je kunt de machine dan ook niet meer stopzetten. Als je in zo'n proces zit, komt het moment van vermoeidheid pas als alles voorbij is.

“We moesten slag leveren met een enorme lijst van problemen. Als je er vijf hebt opgelost, zijn er de volgende dag weer vijf nieuwe punten bijgekomen. Iedereen is buitengewoon inventief in het opvoeren van dingen die op het laatste moment moeten gebeuren. Het gààt ook om iets, het is concreet, grijpbaar en belangrijk.

“Je bent op acht of negen borden tegelijk aan het schaken met elkaar. Als je een oplossing in zicht krijgt op het ene bord, dan ga je weer over wat anders beginnen. Je kunt een onderwerp niet helemaal oplossen, omdat er dan teveel druk komt op iemand die nog niet wil toegeven en niet weet of hij ergens anders misschien ook iets moet inleveren.

“Je moet al die karren tegelijkertijd de goede kant op zien te duwen en er voor zorgen dat ze niet in de modder raken. Geen van die karren zal de eindstreep halen zolang je het geheel niet verder krijgt. Je moet dus steeds overzicht houden. Als voorzitter ben je één van de kamelen in de karavaan en al die kamelen zitten aan elkaar geknoopt.

“Soms heb je een moment dat je even geen uitweg ziet. Dan kan een paar uur rust wel weer wat helpen. Het geeft ook een kick om te zien dat je verder komt. Vanaf de Algemene beschouwingen ben ik hier continue mee bezig. Ik heb de rondreis van Lubbers langs de hoofdsteden zoveel mogelijk meegemaakt. Dat vond ik van belang om te laten zien dat de EMU ons ernst was. Het gaf mij de mogelijkheid voor bilaterale contacten met mijn collega's van financiën en onderweg kon ik veel overleggen met Van den Broek en Lubbers.”

Gaat u de geschiedenis in als de minister van financiën die een einde aan de gulden heeft gemaakt?

“Dat zal me geen standbeelden opleveren! Ik denk dat de gulden nog wel wat jaren zal blijven rollen. Technisch kan de gulden blijven. Alleen, hij is dan met gouden koorden aan de EMU en dus ook aan de andere munten die aan de monetaire unie meedoen, gebonden. Er zit een enorme emotionele waarde aan je eigen munt. Het is daarom belangrijk dat juist in dat overgangsproces alles heel zorgvuldig en goed gaat. Dat je niet in één keer afscheid moet nemen van iets dat zo vertrouwd is. Positief zou ik zeggen dat de basis is gelegd voor een echte Europese munt.”

Kwam het Franse voorstel om de overgang naar de slotfase van de monetaire unie zeker te stellen als een verrassing voor u?

“Frankrijk kwam precies op het goede moment. Het was een nieuw element, net toen iedereen een beetje verstrikt was in de logica van het traject. We hadden van Franse zijde suggesties gehoord die in die richting gingen.

“Ook anderen dachten na over de vraag hoe je een herhaling van zetten zou moeten doorbreken. Als je zegt: eind 1996 nemen we een beslissing en een minimum van zeven landen moet klaar zijn om deel te nemen, roept dat onmiddellijk vragen op. Stel dat je die zeven landen niet haalt? Blijf je dan met dezelfde procedure doorgaan? Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat je de criteria verslapt om die zeven landen binnen te krijgen. Je kunt ook zeggen: die criteria blijven onverkort gelden, maar we gaan door met een kleiner aantal landen. Anders wordt het overgangsproces onnodig verlengd.

“Die laatste optie heeft een meerderheid gekregen. Als er een tweede ronde komt, eind 1998, krijg je twee verschillen ten opzichte van 1996. Ten eerste hoeft het besluit niet met eenstemmigheid te worden genomen maar met een gewone meerderheid. Ten tweede kiezen we voor de mogelijkheid dat je met een betrekkelijk klein groepje verder gaat.”

Wat was het beslissende moment in de onderhandelingen?

“Er waren een stuk of zes onderwerpen die ieder hun eigen betekenis hadden, maar die onderling nauw met elkaar waren verknoopt. Punt één was de algemene vrijstelling, de eis van Groot-Brittannië om de mogelijkheid open te houden na 1996 deelname aan de slotfase opnieuw te kunnen overwegen. Zoiets heeft zijn tentakels naar allerlei andere onderdelen.

“Het tweede punt was de cohesie, de steun aan de arme lidstaten. Dat kan niet direct in de EMU worden geregeld, maar het loopt er financieel en politiek dwars doorheen. Voor mijzelf, voor anderen minder, vormde het institutionele aspect een derde punt. Dat heeft betrekking op de rol van het Europarlement en het initiatiefrecht van de Commissie. Wij hebben als voorzitter gezegd: we moeten de meerderheid niet volgen, maar in de ontwerptekst tussen haken toch eigen, verdergaande varianten presenteren. Een vierde cluster was de overgang naar de derde fase.

“Punt vijf: het externe monetaire beleid en de vraag wie het wisselkoersbeleid voor de toekomstige Europese munt ten aanzien van de dollar of de yen bepaalt. Dat lag heel gevoelig in de verhouding met de centrale banken. We hebben ook eindeloos touw getrokken over een zesde punt, de regeling van het voorzitterschap voor het Europese monetaire instituut (EMI), dat in 1994 wordt opgericht en de oprichting van de Europese centrale bank zal voorbereiden. Ook daarin zat een spanning met de centrale banken. Uiteindelijk zijn we uitgekomen bij een externe voorzitter.

“Ik heb vastgehouden aan beperkte taken voor het EMI. Het krijgt geen monetaire bevoegdheden. Maar de oprichting van zo'n instituut heeft een politiek-psychologische betekenis. Ik denk sterk in fasen. Dus als ik in 1997 op een goede manier wil uitkomen bij een centrale bank, moet de tussenstap in 1994 functioneel zijn. Ik denk dat het EMI een uitstraling moet hebben en daarin past een externe president. Deze zal door de de regeringsleiders worden aangewezen, op voordracht van de twaalf centrale bankpresidenten.

“Ik heb steeds tegen de Duitsers en de Fransen, tegen iedereen die hiertegen weerwerk leverde, gezegd: wat denken jullie nou. Het is met goede waarborgen omkleed. Als De Larosière, Schlesinger, Verplaetsen, Duisenberg en Leigh Pemberton, als al die mannen wikken en wegen wie de zware monetaire autoriteit in Europa is die naar hun mening het gezag heeft om deze post te vervullen. Als ze daarover overeenstemming bereiken en hun voordracht naar de minister-presidenten en de Franse president gaat. Als die er ook nog eens naar kijken. Dan komt er toch geen avonturier op die stoel! Wat heeft het me een tijd gekost om het zover te krijgen.

“Bij het EMI waren nog meer moeilijke punten. We hebben geweldige meningsverschillen gehad over de vraag of het EMI eigen kapitaal mocht krijgen. Dat hebben we opgelost door het kapitaal los te laten en over eigen inkomsten te spreken, die bestaan uit bijdragen bij de start van het EMI. Dan hadden we nog het probleem hoe straks in de Europese centrale bank de positie zal zijn van landen die volledig deelnemen en landen die een ontheffing van deelneming hebben gekregen. Daarvoor hebben we het onderscheid gemaakt tussen een bestuursraad en een algemene raad in de ECB. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de criteria waaraan landen moeten voldoen en de manier waarop die worden toegepast.”

Landen met zwakke economieën krijgen straks een harde munt.

“Het duurt nog vijf of zeven jaar en ik denk dat landen die er echt werk van willen maken, heel ver kunnen komen. We moeten natuurlijk wel presteren, wijzelf in Nederland ook. Het komt je niet aanwaaien. De EMU is een extra inspiratiebron om te laten zien dat je bij de besten hoort.”

De economische criteria voor deelname zijn iets afgezwakt. Het gaat nu meer om de richting waarin de cijfers zich bewegen. Is dat een gevaar?

“We willen niet door computers geregeerd worden. Er moet een beleidsmatige beoordeling zijn, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante factoren die meespelen in een land. Bij voorbeeld als een begrotingstekort heel krachtig is gedaald, maar nog net een slagje boven een altijd wat arbitrair percentage zit. Als een land niet alleen mooie intenties heeft voor over vijf jaar, maar echt goed bezig is, dan moeten we dat betrekken in de beoordeling.

“We willen geen slappe knieën die tot iets moerassigs leiden. Ik wil in ieder geval niet de minister zijn geweest die medeverantwoordelijk was voor het inruilen van de harde gulden tegen een zachte Europese munt. In de tweede helft van de jaren negentig moeten we keihard kunnen concurreren met Zuidoost-Azië, met Japan, met de Verenigde Staten. Dat betekent dat je een solide munt moet hebben. Dat geldt voor afzonderlijke landen, maar ook voor Europa als geheel.

“We gaan naar een economische en monetaire unie die dienstbaar moet zijn aan de mensen in Europa. Ook wat betreft hun werk, hun milieu, hun toekomst, hun veiligheid. Als je het financieel-budgettaire element verslonst, komt het met de rest niet goed, maar als het financieel-budgettaire op een voetstuk wordt gezet zodat de rest niet telt, dan gaan we naar het Europa van de technocraten en niet naar het Europa van de mensen.”