Vuurpeloton

De chirurg stapte behoedzaam de kamer binnen en ging naast het bed van de patiënt zitten. “Meneer Jansen”, zei de chirurg, “laten we open kaart spelen. U bent er bijzonder slecht aan toe en een operatie zou beslist noodzakelijk zijn. Maar nu wil het ongelukkige toeval dat vanmorgen op de afdeling iemand is binnengedragen met hetzelfde ziektebeeld als u. En nu wil het ongelukkige toeval bovendien dat wij door de bezuinigingen helaas slechts ruimte hebben voor één operatie.”

De chirurg keek even naar het plafond. “Kortom”, ging hij voort, “wij zullen dus een keuze moeten maken tussen u en die andere patiënt. Die keuze, dat wil ik hier met nadruk toevoegen, maken wij beslist niet voor ons plezier. Maar er is nu eenmaal niet meer geld. Dat is een gegeven, waar wij medici mee moeten leren leven.”

De chirurg pauzeerde even alsof hij een antwoord verwachtte, maar uit het bed kwam geen reactie. “Zoals u weet”, zei de chirurg ten slotte, “heeft de regering bepaald dat bij een dergelijke beslissing de levenswijze van de patiënt moet worden meegewogen. Dat is een richtlijn die ons door de overheid is opgelegd en waaraan wij ons dienen te houden. Ik moet u daarom een aantal vragen stellen en ik verzoek u daarop eerlijk te antwoorden. U weet dat u strafbaar bent, wanneer u in dit geval niet naar waarheid spreekt?”

De patiënt knikte. “Juist”, zei de chirurg, terwijl hij een vragenlijst tevoorschijn haalde, “rookt u?”

“Oh nee!”, riep de patiënt.

“En heeft u ook nooit gerookt?”

“Nooit. Nou ja, één keer. Ik heb op mijn zestiende een sigaar van mijn vader opgestoken, maar daar ben ik zo misselijk van geworden dat ik nooit meer iets met tabak te maken wilde hebben.”

“Heeft u weleens een stickie gerookt?”

“Een wat?”

“Een stickie. Hasj of marihuana?”

“Nooit gedaan, dokter.”

“Goed zo. Gebruikt u alcohol?”

“Een heel enkel glaasje witte wijn. Dat schijnt gezond te zijn. Dat heb ik weleens gelezen.”

“En bent u weleens dronken?”

“Nooit geweest, dokter. In mijn hele leven niet.”

“Gaat u weleens laat naar bed?”

“Ik stap er elke avond om half elf in. Alleen op oudejaarsavond blijf ik op tot kwart over twaalf.”

“Bent u weleens gescheiden?”

“Ik heb al twintig jaar een gelukkig huwelijk, dokter.”

“Heeft u spanningen op uw werk?”

“Nooit. Ik ben referendaris bij het gemeente-archief. Daar is het altijd stil.”

“Doet u aan sport?”

“Ik jog regelmatig door het park, maar met mate natuurlijk.”

“Houdt u van drop?”

“Ik prefereer selderij en rauwe wortelen, dokter. Veel rauwe groente, maar nooit spinazie. Daar zitten nitraten in.”

“Ligt u weleens onder de zonnebank?”

“Nooit. Ik loop ook zo min mogelijk in de zon, want daar schijn je huidkanker van te krijgen.”

“Mooi, meneer Jansen. Dat waren de vragen. En dan heb ik nu een buitengewoon vervelende mededeling voor u. Ach, u dacht toch niet dat wij zo'n ongelofelijk vervelende en oersaaie kerel, zoals u bent, in leven laten. Wat denkt u nou? Dat Svevo of Hermans hun roman zouden kunnen schrijven zonder te roken? Dat Dylan Thomas zonder dronkenschap één versregel had opgetekend? Dat Mozart één noot op papier had gekregen als hij twintig jaar bij dezelfde vrouw was gebleven? En waar was Freud geweest, als er geen opium had bestaan? En denkt u eens aan Einstein. Die ging heus niet elke dag joggen om de relativiteitstheorie rond te krijgen. Weet u, meneer Jansen, wat wij hier doen met zo'n slaapverwekkend heilig boontje zoals u? Die zetten wij hier tegen de muur.”

Daarop werd meneer Jansen, ziek als hij was, door twee potige verpleegsters uit zijn bed gesleurd. Even later klonken op de binnenplaats een paar scherpe knallen.