Voor anonieme stervelingen; John Ahearn en Rigoberto Torres exposeren hun buurtgenoten

John Ahearn en Rigoberto Torres gieten hun buurtgenoten in de Newyorkse Bronx eerst af in gips en maken er daarna polyester beelden van. Die beelden monteren ze op kale en vervuilde Bronx-woonblokken. Het verbaast hen wel dat ze nu in de Rotterdamse Witte de With hangen, een centrum voor eigentijdse, vaak intellectuele kunst. Maar ze konden natuurlijk geen "nee' zeggen tegen deze eerste Europese "show'.

South Bronx Hall of Fame, tot 26 januari in Witte de With, Rotterdam. Geopend: van di. t-m zo. 11-18 uur.

Op tafel ligt een roomwitte straatveger. Mijnheer Antonio Diaz draagt een snor, een flinke pet en een net zo fors horloge. Elke rimpel van zijn hoofd en vingerkootjes is in gips gegoten. De ver uitstekende klep van zijn pet leverde problemen op, daar moet een afzonderlijke mal voor gemaakt worden. Het was de bedoeling om hem ten voeten uit te modelleren, maar gezien zijn robuuste omvang, is daar van afgezien. Straks hangt Diaz als borststuk, met zijn veger losjes over schouder, aan een gevel in een zijstraat van de Witte de Withstraat in Rotterdam. Hij krijgt gezelschap van Mario, een kwikzilverachtige jongen uit de buurt met een zwart jackie. Beiden worden ze in polyester vereeuwigd, zodat ze deze winter tegen een stootje kunnen.

De Amerikaanse kunstenaars John Ahearn en Rigoberto Torres leggen in Rotterdam de laatste hand aan de beelden. Ze doen al twaalf jaar niets anders dan afgietsels maken van mensen uit hun omgeving, de Newyorkse Bronx, grotendeels bewoond door zwarten en "Hispanics'. Afgietsels, bustes en manshoge beelden, die aan de hand van foto's een min of meer waarheidsgetrouw geschilderd uiterlijk krijgen. De deadline nadert van de "South Bronx Hall of Fame', hun tentoonstelling die morgen in het centrum voor eigentijdse kunst Witte de With in Rotterdam, opent.

Aan de Rotterdammers, die geen officieel onderdeel vormen van de expositie, moet nog veel geschuurd en geschilderd worden. De bustes van Coen, Nellie en Ed missen nog hun levensechte "outlook', kleding en kapsel zijn nog niet gefatsoeneerd, en hun oogleden, naar behoren gesloten tijdens het afgieten, zullen bij de definitieve versie, ruimte hebben gemaakt voor levendige pupillen, die vanuit denkbeeldige vensterkaders naar de huiskamers van de overburen turen.

De werkdruk maakt Ahearn en Torres een beetje zenuwachtig. Nee, over het buurthuis Cool, waar ze al weken te gast zijn, hebben ze niets te klagen. Buurtopbouwwerker Ed durfde het als eerste aan om met rietjes in zijn neusgaten totaal onder een kauwgom-achtige substantie én een kleffe gips-laag te worden bedolven. Twintig minuten lang mocht geen spier vertrekken. De kinderen uit de wijk maakten zich zorgen over die verdwijntruc. Hun moeders stelden hen gerust, zoals blijkt uit een video-filmpje: "Edje komt weer helemaal terug! Echt waar! Ja toch, Ed?'. Ed, inmiddels tot mummie gereduceerd, tilt als levensteken een hand op. Jazeker, hij komt terug!

Torres, geboren in Puerto Rico, is samen met zo veel anderen "Hispanics' destijds verhuisd naar de Bronx. Daar heeft hij in een fabriekje van zijn oom gewerkt, waar afgietsels van smartelijke martelaren en smachtende naakten worden vervaardigd ter verluchtiging van wandmeubels of televisie-toestellen. Elke gezichtsspier van Torres staat in opwaartse richting. Niet vanwege zijn walkman, maar omdat hij als volleerd ambachtsman plezier heeft in het hakken en schaven: “Yeah, we make friends, we make everybody happy”.

In Rotterdam is alles op rolletjes gelopen. “De mensen hier zijn heel aardig en openhartig”. Dat was in Puerto Rico wel anders. “Bange mensen, die niets begrepen van wat we deden”. Volgend jaar wil Torres op Haïti aan de slag. “Ik heb astma, en daarom zorg ik ervoor dat ik het nooit koud heb. Als de winter nadert, vertrek ik meteen naar warme streken.” En, ja hoor, daar komt die glimlach weer, van oor tot oor: “Oh, yeah, that's for sure”.

Filmwereldje

Torres' minder uitbundige collega Ahearn volgde de schilderrichting aan de Cornell University's School of Architecture en verzeilde in een filmcircuit op Manhattan. Zijn werk daar bestond uit het maken van vermommingen voor filmkarakters. Dat bracht hem ertoe de gezichten van vrienden en bekenden af te gieten. Door stom toeval kwam hij in de Newyorkse Bronx-galerie Fashion Moda in contact met Torres. Sindsdien hebben ze veel samengewerkt, de laatste jaren gaat elk meestal zijn weegs in de South Bronx, waar vreemdelingen er goed aan doen weg te blijven. Verpaupering, misdaad en crack staan geen blanke pottenkijkers toe.

“Het heeft ons veel moeite gekost daar het vertrouwen van de bewoners te winnen”, zegt de blanke Ahearn, die er nog steeds woont. “Maar dankzij de mond-op-mond reclame klopten er steeds meer mensen bij ons aan. Ook kinderen, die soms een jaar moesten wachten voordat we ze durfden afgieten. De meeste modellen op de tentoonstelling in de Witte de With zijn dan ook vrienden of familie van elkaar”. Als dank voor hun medewerking ontvangen de modellen een beschilderd gips-afgietsel. In de Bronx-huiskamers hangen ze naast foto's van Reagan, de poes of de Heilige Maagd.

De duurzamere, polyester-beelden, de échte kunst, buiten gemonteerd op kale en vervuilde Bronx-woonblokken, laten straattaferelen zien met stoere jongetjes op mountainbikes, moeders die zeulen met kinderen en boodschappen, een levenslustige garagehouder met een autoband onder zijn oksel en een heer in "black leather'. Met veel modellen is het slecht afgelopen. Gearresteerd, verdwenen of overleden aan ziektes, aan drugs. Een van de vrouwen, wier buste in de Witte de With hangt, is later aangetroffen in een plastic zak, in mootjes gehakt. Alleen de maskers zijn in de wijk achtergebleven. Niemand vergrijpt zich eraan, polyester-kopieën ondervinden daar meer respect dan levende originelen.

Onwillekeurig doen deze afgietsels, odes aan anonieme stervelingen, denken aan de levensechte, van echte kleding voorziene figuren van Duane Hanson en de witte schimmen van George Segal. Hun realistische beelden maken al jaren deel uit van museumcollecties. Ahearn en Torres willen de toeschouwer niet misleiden, hun "make-up' is plat, vluchtig gedetailleerd, af en toe zelfs slordig of vlekkerig geschilderd, alsof ze een drie-dimensionale kinderkleurplaat hebben ingevuld. Grote vlakken, snel thuis.

Dodenmaskers

Amerikaanse critici vergelijken deze borstbeelden met de eeuwenoude traditie van het maken van dodenmaskers, vaak de eerste en tevens de laatste keer dat een mens onder het gips verdwijnt. Ze verwijzen naar 19de-eeuwse kunstenaars als Gourbet, Daumier en Degas die in collegiale kringen verwarring zaaiden door zomaar "gewone mensen' te portretteren.

Aardig verzonnen, maar het was er Ahearn en Torres helemaal niet om te doen een traditie voort te zetten. Ze wilden met zoveel mogelijk verschillende buurtbewoners contact leggen, hun vertrouwen winnen en daarna zorgvuldig met hen samenwerken. Niet simpel, want Ahearn stond, dankzij een grap, inmiddels bekend als De Koppensneller, zodat menigeen dacht te sterven als hij of zij onder het gips terechtkwam. Behoedzaamheid was geboden. Er kwamen huisbezoeken en diepgaande gesprekken aan te pas voordat ex-gevangenen, kapsters en vuilnismannen zich leenden voor "het plaatjesboek van de buurt'. De meesten gingen later trots met hun beschilderde spiegelbeeld naar huis. Op een video in de Witte de With zien we een moeder in tranen als zoonlief haar bij wijze van verrassing zijn buste cadeau geeft. Een enkeling, die niet elke avond naar zichzelf wilde kijken en zichzelf evenmin op straat wilde tegenkomen, maakte korte metten met zijn dubbelganger.

Ahearn noemt zijn werk "basic'. Hij wil er rustig mee doorgaan, vriendschappen verstevigen, en verder aarden in de Bronx. Waarom zou je veel reizen, als er thuis nog veel te doen is? Maar twaalf jaar lang tijdgenoten afgieten, daar moet toch eens verandering in komen? Nee, hoor, zegt Ahearn. Veranderingen hoef je niet te forceren, ontwikkelingen doen zich hoe dan ook voor. Hij wil "statements' maken over wat kunst ook kan zijn.

Die nauwe betrokkenheid bij de Bronx houdt in dat de bewoners precies weten waar hun beelden nu geëxposeerd worden. Dat is Ahearn tegenover hen verplicht. Verbaast het hem niet dat hij in een centrum voor eigentijdse, vaak intellectuele kunst hangt? Ja, het is hem inderdaad een raadsel waarom Chris Dercon hen uitnodigde, want er valt niet veel te filosoferen over de "monumenten' voor Trudy, Thomas, Raymond, Kate en Esther, hoewel elke filosofische of kunsthistorische interpretatie natuurlijk welkom is, want daarmee wordt hun werk alleen maar opgewaardeerd. Die discrepantie tussen de filosoferende kunstwereld en de concrete zienswijze van zijn afgegoten Newyorkse kennissen, laat zich in de Bronx ook moeilijk verklaren, zegt Ahearn. Maar hij kon toch geen "nee' zeggen tegen deze eerste Europese "show'! Nu leert men ook in Nederland de Bronx een beetje kennen. Vergelijk het met "earth-art', foto's van stenen en woestijnzand. Even waant de toeschouwer zich in de totale verlatenheid. Zo kan men zich in Rotterdam nu denkbeeldig naar de Bronx verplaatsen.

In de Witte de With kom je geen karikaturen tegen. Veel gezichten zijn "beaten by life', ze hebben teveel in te korte tijd gezien en meegemaakt. Bij menig hoofd kan Ahearn een drama vertellen. Dat knuffelende echtpaar is minder gelukkig dan het zich laat aanzien. Hij is alchoholist, en zij probeert hem goedschiks of kwaadschiks op koers te houden. Die twee stoere jongetjes hebben als taak de ratten dood te slaan die zich bij het afval schuilhouden en dat ene portret van Maria is gemaakt nadat ze net uit de gevangenis was. "Tóch bent u het waard om als een net zo sterfelijk staatshoofd een beeld van uzelf te laten maken', zoiets moeten Ahearn en Torres met hun alternatieve "Hall of Fame' bedoelen. Vergeleken met de Bronx hangen er straks in de buurt van de Witte de With zorgeloze Rotterdammers tegen de pui.