Verzoening en vetorecht

De essentie van het nieuwe veto-recht voor het Europese parlement is dat er over gestemd moet worden met “volstrekte meerderheid van zijn leden”.

Terwijl over het resultaat van de bestaande verzoeningsprocedure, waarin de Raad de kans krijgt om het veto te voorkomen, gestemd kan worden “met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen”. Dat maakt een behoorlijk verschil in een parlement met 516 leden, van wie er meestal niet meer dan 300 aan de stemmingen plegen deel te nemen. Om te kunnen veto'en zijn er dus 260 stemmen nodig, terwijl voor de verzoening er bijvoorbeeld 150 kunnen volstaan.

In de nieuwe co-decisieprocedure krijgt het parlement het recht om een concept-richtlijn of concept-verordening te verwerpen. De voorzitter van de Raad van ministers en de voorzitter van het Parlement stellen in dat geval een Bemiddelingscomité samen. Daarin zitten twaalf vertegenwoordigers van de lidstaten en twaalf europarlementariërs. Die moeten dan een nieuw concept schrijven. Worden ze het daarover eens, dan is de richtlijn automatisch vastgesteld, tenzij het Parlement of de Raad de nieuwe tekst verwerpt.

Wordt ook de nieuwe tekst verworpen dan houdt het op. Het parlement heeft een veto uitgesproken. Of de Raad keert op zijn schreden terug. Het is 1-1

Slaagt het bemiddelingscomité niet dan houdt ook alles op, tenzij de Raad het oude concept nog eens op de agenda zet en opnieuw bekrachtigt. Als het Europese parlement dat oude voorstel opnieuw verwerpt met minimaal 260 stemmen, is het definitief niet aangenomen. Het is dan 2-1 voor het parlement. Hetzelfde stuk is dan twee keer behandeld in het parlement. De bemiddeling is mislukt en het voorstel is twee keer verworpen.