Twintig jaar wachten op vier minuten Vivaldi

Vivaldi: sacred music for solo voices & orchestra. Nisi Dominus, Gaude Mater Ecclesia, Salve Regina. Solisten: Margaret Marshall en Jochen Kowalski. Concertgebouw kamerorkest o.l.v. Vittorio Negri. Philips 432 088-2.

Het gebeurde zo maar op een zaterdagmiddag. Ik zat in een zaaltje waar dichters gedichten voorlazen die ze bij klassieke muziek gemaakt hadden. De muziek lieten ze ook horen. De dichter Remco Ekkers sprak over Vivaldi - Vivaldi, dacht ik, jaja, "De vier jaargetijden', mooi maar wel erg vaak gehoord. Het ging Ekkers echter om "Nisi Dominus', psalm 127: Als de Here het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan. Vivaldi schreef veel gewijde muziek voor solostemmen waarvan maar een klein gedeelte is overgebleven.

Het andante deel had in het bijzonder de aandacht van de dichter getrokken, met de tekst Cum dederit dilectis suis somnum.- Ecce haereditas Domini, filii;- merces fructus ventris (Hij geeft het immers zijn beminden in de slaap. Zie, zonen zijn een erfdeel des Heren, een beloning is de vrucht van de schoot). Rare tekst, vond Ekkers, is men pas gelukkig als men zonen heeft? Vivaldi was priester dus die had geen zonen. Geloofde hij die tekst en klonk de muziek daarom zo weemoedig, omdat hij wist dat hij nooit in deze zin door de Heer beloond zou worden? Zo vroeg Ekkers zich van alles af, bijvoorbeeld wat er tegen dochters was en daar ging zijn gedicht ook over. Voor hij het voorlas mochten wij naar het bewuste stukje psalm luisteren.

Het werd stil. En daar klonk zonder enige waarschuwing de mooiste muziek die ik ooit hoorde. Eenvoudige korte stootjes op strijkinstrumenten, dan een zachte orgeltoon en een eenvoudige maar eindeloos weemoedige beweging. Bijna niet te verdragen deze opgaande lijn die niet opgaat - en tegelijkertijd wilde ik niets liever dan die paar maten nog eens horen. Met schrik bedacht ik dat hier zometeen ook nog bij gezongen zou worden. Hoe moest dat? Iets aan deze eerste maten toevoegen leek me onmogelijk. Maar de alt die inzette had er geen enkele moeite mee. Gedempt klagend slingerde de stem zich om de muziek heen, het leek of er alleen maar woordeloos "ohohoohohoh' gezongen werd.

Hoe kan dat toch dat muziek soms zo ineens rechtstreeks naar binnen klinkt, of je geen huid hebt om je te beschermen? Dat kruipt maar in je oren en doet werkelijk pijn, en ook werkelijk op de plaats waar je hart zit - of het woord "hartverscheurend' ervoor uitgevonden is.

Om niet helemaal te smelten probeerde ik verstandige dingen te denken, die, achteraf bekeken, allesbehalve verstandig waren. “Als dit een begrafenis was zou ik het nu niet uithouden”, dacht ik bij voorbeeld. Dat kalmeerde niet echt.

De stem en de muziek wiegden elkaar en spraken elkaar treurig tegen, ieder verstrikt in haar eigen levensloop. De een steeg terwijl de ander daalde, de een kloeg terwijl de ander kalmeerde, ze troostten elkaar met een elegante melodieuze beweging - bijna driehonderd jaar geleden in Venetië geschreven. En ik hoorde het pas nu! Driehonderd jaar is lang, maar twintig jaar geleden was ik toch zeker al oud genoeg? Waarom heeft niemand ooit de moeite genomen om mij dit te laten horen? Twintig jaar heb ik onnodig zonder deze muziek geleefd, terwijl die dichter daar op het podium er bij had zitten dichten, er al zo vertrouwd mee was dat hij niet eens had overwogen of dit wel muziek was die je de mensen zomaar onverwacht kunt aandoen.

Dankbaarheid en jaloezie streden die zaterdag om de voorrang. Nog steeds ben ik jaloers op iedereen die deze muziek al kende en ook eigenlijk op iedereen die deze vier minuten nog voor het eerst moet horen. De uitvoering die op cd verkrijgbaar is viel beslist niet tegen na die eerste overweldigende indruk. De stem van Jochen Kowalski heeft precies die vreemde buitenwereldse klank die ook de Hongaarse alt van mijn eerste keer had, alsof het hier werkelijk om een rechtstreekse boodschap van boven gaat.

Navraag leerde dat anderen al lang wisten dat ook dit in de wereld bestond. Dat was niet aan die mensen te zien. Zelf denk ik dat ik er heel anders door ben geworden, maar dat zal de buitenwereld ook wel niet opgevallen zijn. Alsof er ergens in mij een kuiltje is gegraven dat gevuld is met de noten van Vivaldi en met een wonderlijk onbestemd treurig gevoel, een onmeedeelbaar verlangen naar niets in het bijzonder en alles tegelijk, een beklemming waarvoor geen troost verlangd wordt. Ach was ik maar een dichter, dan hoefde ik niet zo machteloos te praten. Maar nog diezelfde middag las Willem van Toorn over de hulpeloosheid van de dichter als het erom gaat te doen wat muziek doet. Gelijktijdigheid is in taal immers onmogelijk, de ene regel moet toch na de andere gelezen worden. Nooit spreken er stemmen harmonieus door elkaar heen zonder dat iemand weet waar het over gaat.

Als Vivaldi deze muziek werkelijk zo weemoedig maakte omdat hij zelf geen zonen had, zoals Ekkers veronderstelde, dan ben ik blij dat er priesters bestaan. Maar ik geloof er niets van. Vivaldi is een meester in roerloze muziek, muziek waarin het een beetje vriest of zachtjes mist, daar is geen tekst voor nodig. Het is net iets voor een dichter om te denken dat de tekst de muziek voortbracht. Maar deze muziek heeft geen betekenis. Zij is er.