Trefzeker debuut van Anna Enquist; De vlam erin, de zeis erdoor

Anna Enquist: Soldatenliederen. Uitg. De Arbeiderspers, 72 blz. Prijs ƒ 29,90.

Er is veel muziek te vinden in de debuutbundel van Anna Enquist. De titel belooft ons meteen al liederen. Er zijn afdelingen als ”Ouverture' en ”Zang en dans', gedichten met titels als ”Serenade', ”Strijkkwartet' en ”Kinderszenen', namen van componisten en muziekstukken. Toch maakt haar poëzie nergens een uitgesproken muzikale indruk.

Er komt veel wanhoop voor in Enquists gedichten, en ook woede, pijn, angst, onrust, eenzaamheid, gehuil en geschreeuw. Toch schrijft zij helemaal geen larmoyante poëzie.

Er kan uit deze bundel een gedetailleerd persoonsdossier samengesteld worden, met gegevens over leeftijd en werkzaamheden van de dichteres, haar woonplaats, gezinssamenstelling en bij voorbeeld de indeling van het huis. Toch is haar debuut geen verzameling anekdotes.

Drieënveertig gedichten telt deze eersteling, de meeste zorgvuldig gestrofeerd, verdeeld over acht thematische afdelingen met een begin en een eind en een omslagpunt in het midden. Toch is dit geen gewild formele poëzie.

Ziehier het probleem waarmee dit mooie debuut ons opzadelt: er valt veel over bij voorbeeld de vorm, de inhoud, de toon en de muzikale verwijzingen te zeggen, over wat het allemaal niet is, maar het is nog niet zo eenvoudig een karakteristiek te vinden voor wat het dan wel is. Enquist herinnert wel eens aan Gerrit Achterberg en aan Jan Eijkelboom. Zij zou de zus van Marieke Jonkman en Eva Gerlach kunnen zijn. Zij verenigt het pathos van Leonard Nolens met de beheersing van diezelfde Leonard Nolens. En zo zou er, in de armoedige geest van de hokjesgeest, nog wel op meer overeenkomsten gewezen kunnen worden.

Hier is dus een nieuwe veelzijdige dichteres aan het woord, met een eigen stem. Haar poëzie mag dan niet bij uitstek lyrisch, gevoelig, realistisch of vormvast zijn, dat wil nog niet zeggen dat zij dus een dichteres van nuchtere, harde, abstracte en vrije verzen is. In haar werk strijden veel verschillende gevoelens om de voorrang. En het wonderlijke is dat zij er zo vaak in slaagt deze binnen één gedicht in toom te houden: huilebalkerij wordt geblust met grimmige distantie, autobiografische aanleiding gaat over in geestige bevlieging, ongedwongen taalgebruik wordt ingesnoerd door een dwingende vorm.

Verliezer

Het is bij zoveel verscheidenheid niet zo verwonderlijk dat de titel Soldatenliederen maar een klein deel van de lading dekt. Wie hier ”fijne muziek van het leger' (Reve) verwacht, komt bedrogen uit. En dat is misschien maar beter ook. Echte liederen zijn hier niet te vinden en ook met het soldateske valt het wel mee: het is het soldateske van de verliezer. Al meteen in het eerste gedicht wordt de martiale titel gerelativeerd, want daar treffen we een deserteur, bij zijn schuilhut in het bos, met niet meer dan ”een zakdoek als gehavend vaandel in mijn vuist.'

Er zijn voor de gemiddelde soldaat twee mogelijkheden en tussen die twee beweegt deze bundel zich op en neer: tussen desertie en strijd, berusting en offensief, overgave en verzet. Waartegen richt zich het verzet? Tegen wat het leven ons aandoet, tegen wat ons ongevraagd komt aanvliegen, tegen de dood. Achterin de bundel staat een ”Requiem' dat weinig goeds doet vermoeden, maar daarop volgt nog één gedicht: ”Andante'. Met die titel, letterlijke betekenis: ”lopend, gaand', sluit het aan op de liggende soldaat uit het eerste gedicht. ”Als de tocht niet meer voert naar de- plaats waar alles weer goed komt,- wat houdt haar gaande?' is de vraag die hier aan het slot, in een laatste poging tot het opmaken van de balans, gesteld wordt. Het antwoord volgt in de tweede strofe:

De straatstenen houden haar gaande,

ogen likken de gevels, de keel

is gulzig naar lucht. Haar houdt

in gang het plezierpaard lijf dat

geen halt verstaat. Haar hakken

slaan vuur uit de tegels. Dat zij gaat

houdt haar gaande. Zij gaat.

Mooi beeld: iemand die in haar eentje paard en ruiter is en zich voegt naar wat het paard in haar wil. En het is ook mooi om te zien hoe de vorm het langzaam overneemt van de inhoud: de herhaling van gaande, in gang, geen halt, gaat, gaande, gaat maakt maar al te duidelijk wat hier gaande is.

Musicienne

Zulke ontsporingen, waar de betekenis zich overgeeft aan de klank, doen zich vaker in haar poëzie voor. Je zou er de invloed van muziek in kunnen zien. Enquist, die het conservatorium doorliep, zal wel weten dat sommige liederen nu eenmaal beter ohne Worte gezongen kunnen worden. En als de musicienne in haar het niet weet, dan zal de zielkundige het wel weten. Enquist is in het dagelijks leven psychiater. Ook voor haar patiënten zit er vaak niets anders op dan zich maar over te geven en te berusten in de nederlaag. ”Hier wordt verloren', zegt zij in een gedicht met de duidelijke titel ”De spreekkamer'. ”Zij die hier komen leren dat het is- zoals het is. Dienen zich te verzoenen- met de tijd.'

Een gevoel van verslagenheid is in veel gedichten terug te vinden. Zoals in deze regels: ”Werp nu je wapens weg in de rivier- van troost en smal verdriet die ons- omspoelen gaat, zo zacht begint te- trekken aan je voeten: het is tijd,- het is te laat.' Daar staan ferme aansporingen als ”Zeur niet' en ”De vlam erin, de zeis erdoor' tegenover, want Enquist blijft bij alle gelatenheid beschikken over een gezond gevoel voor humor - en trouwens ook over een scherp oog en oor voor schrijnende details. Een gedicht over een begrafenis eindigt zo: ”Zij die daar staan werpen een handvol- aarde, het kraakt in hun heupen.' En na een nachtelijke storm ziet zij 's morgens dit tafereel, trefzeker genoteerd: ”In het ochtendlicht stampen- mannen met rubberlaarzen rond.- Zij noteren: afgerukte takken,- flarden vitrage in het zompige gras,- een gaaf wijnglas.'

Misschien is trefzekerheid nog wel de beste karakteristiek voor dit debuut. Het volgende gedicht, een van de kortere, is er een goede illustratie van:

DECEMBEROFFENSIEF

Alleen de allerergste wanhoop is zo

koud

als deze slotgracht; dit verdraagt

geen mens die niet bevroren is.

Soldaten hebben pijn die zij niet voelen,

bloed dat niet vloeit, grimmig gevecht

met slechts een schijn van woede.

Krakend verscheurt een paard het ijs,

galop gestold. Alles zit klem en nooit

komt het meer goed. Zie het vuur

verwaaien zonder warmte op de

torentrans.

Rug tegen kale muur, van voor

de vijand, voeten op bevroren

grond, de wind een zweep.

Misschien is dit de beschrijving van een historisch decemberoffensief, of van een oude afbeelding. Al die toespelingen op de stilstand van het tafereel zouden daarop kunnen wijzen: bloed dat niet vloeit, gestolde galop, vuur zonder warmte. Maar het kan ook de verbeelding van een nare droom zijn, of van een depressie, als het al niet een metafoor is voor de harde strijd die in de wereld van Enquist dagelijks geleverd moet worden. Beeldend is dit gedicht in ieder geval. En wanhopigstemmend. Maar ook geestig, voor wie tenminste houdt van overdrijvingen als ”dit verdraagt geen mens die niet bevroren is' en waarheden als ”soldaten hebben pijn die zij niet voelen'. Het heeft een mooi dichterlijk einde. En in het midden bevindt zich een even gewone als aforistische regel, troostrijk zowaar, temidden van zoveel ellende: ”Alles zit klem en nooit komt het meer goed.'