SAMUEL SKINNER; Tactische pragmaticus

WASHINGTON, 6 DEC. De 53-jarige Samuel Skinner wordt ook wel The master of disaster genoemd. Hij vertegenwoordigde president Bush bij de ramp van de olietanker Exxon Valdez in Alaska, bij de aardbeving in San Francisco en bij de orkaan Hugo. Nu moet hij als chef-staf de crisis in het Witte Huis oplossen en Bush uit zijn politieke dal helpen.

Skinner heeft niets van de botheid van zijn voorganger John Sununu. Integendeel, hij lijkt meer op eerdere succesvolle, soepele bestuurders van het Witte Huis onder president Reagan, zoals James Baker en later Howard Baker. Hij is een gematigde Republikein met tact. Anders dan bij de conservatieve Sununu is het moeilijk uit te maken waar Skinner precies voor staat. Conservatieven wantrouwen hem sterk. Hij is een pragmaticus, van het type Bush. Gedurende zijn loopbaan maakte hij veel vrienden die hem in nieuwe, interessante posten brachten. Bush is een van die vrienden. Hij valt duidelijk onder het intieme old boys network waar de president graag mee werkt. Vice-president Quayle nam hij voor zich in doordat hij hem altijd loyaal verdedigde. Hij ziet Quayle vaak, ook op de golfbaan.

Skinner mist het pontificale gezag van zijn voorganger Sununu, die tot ergernis van velen intellectueel altijd een stapje voor was. Sununu is de briljante pionier, Skinner de minder kleurrijke voortzetter van het werk. Het is een typische overgang voor het midden van de presidentiële termijn. Sununu zei in zijn ontslagbrief weliswaar dat het werk op het Witte Huis fun was maar Skinner kan er ook echt fun van maken voor veel stafleden, die in de klemmende houdgreep van Sununu hun motivatie en werklust hadden verloren. Skinner moet de moraal in het Huis terugbrengen.

Ook met het Congres heeft Skinner goede betrekkingen. Vorige week loodste hij een zesjarenplan van 151 miljard dollar voor herstel van wegen, bruggen en ontwikkeling van openbaar vervoer door het Congres. Hij heeft er zijn volle zittingstijd van drie jaar aan besteed. Zijn uiteindelijke voorstel was door de tegenvallende begrotingsruimte veel magerder dan hij had voorgenomen. Hij had een hogere belasting op benzine willen zien om verbetering van transport te financieren. Maar het Congres deed er uiteindelijk nog veel geld bij en rekte de uitvoeringstijd met een jaar. In de nieuwe begroting hebben de deelstaten autonomie om het toegekende geld aan openbaar of particulier vervoer te besteden. De auto staat nog steeds bovenaan de prioriteitenlijst.

Skinner komt uit Chicago, waar hij vanaf zijn geboorte woonde. In 1988 was hij de campagnemanager van Bush voor de deelstaat Illinois. Na het behalen van een accountantsdiploma werd hij in 1961 vertegenwoordiger voor IBM en studeerde hij in zijn vrije tijd rechten. Eenmaal afgestudeerd werd hij eerst substituut-officier van justitie en later officier van justitie, een gekozen functie. Na een tussenperiode als advocaat werd hij hoofd van een regionaal bestuurslichaam voor openbaar vervoer in Noord-Illinois. Hoewel de door hem geleide instelling weinig voorstelde, wist Skinner er toch een lokale verhoging van de brandstofaccijns door te drukken om hoognodig onderhoud te financieren.

Als minister van transport reisde Skinner veel. Hij voerde ook campagne voor Republikeinse kandidaten. Veel van zijn reizen maakte hij in regeringsvliegtuigen die hij zelf hielp besturen. Luchtvaart heeft zijn bijzondere belangstelling. Hij kreeg wetten door het Congres voor het beperken van vliegtuiglawaai en uitbreiding van vliegveldcapaciteit. Ten gevolge van de deregulering heeft hij herhaaldelijk de verdeling van de boedel van failliete luchtvaartmaatschappijen moeten leiden. Hij bleef deregulering verdedigen, al ging hij daar ook niet te ver in. Dat heeft de KLM gemerkt, toen die door Skinner werd geremd in een overnamepoging van North West Airlines.