Rembrandt op menselijke schaal

“Geen ander uitspruitsel onzer beschaving heeft in de 17de eeuw zoo sterk gebloeid als onze kunst. Om iets te vinden wat daarmede vergeleken kan worden, moeten wij met onze koloniale geschiedenis te rade gaan. Java en de Staalmeesters zijn eigenlijk onze twee beste aanbevelingsbrieven.” Dit schreef Busken Huet in het slothoofdstuk van zijn meesterwerk Het land van Rembrand, dat in 1882-1884 verscheen.

Nu, Java zijn wij kwijt, en na de laatste restauratie van Rembrandts Staalmeesters vinden velen dat we ook deze aanbevelingsbrief verloren hebben. Immers, waar is de gouden patina gebleven die het schilderij, in hun ogen, een mysterieuze glans verleende en het daarmee verhief boven de regentenstukken van Frans Hals en andere tijdgenoten?

Trouwens, dat gold voor bijna heel het werk van Rembrandt. Die gouden glans maakte hem tot een diepzinnig kunstenaar, iemand die het mysterie van het leven en de diepten der ziel had gepeild. Maar ach, die glans die de schilder zo beroemd had gemaakt, bleek het gevolg te zijn van de lagen vernis die in de loop der eeuwen op zijn schilderijen waren aangebracht. Rembrandt zelf had die glans nooit gezien, laat staan bewerkstelligd.

Ongetwijfeld gaat, met die lagen vernis, een illusie verloren. Maar zou een schilderij niet, net zoals een goede wijn, met de jaren beter mogen worden? En zijn de vervallen stadjes van, bijvoorbeeld, Oost-Duitsland ons niet liever dan de prachtig opgepoetste, blinkende restauraties van hun Westduitse evenknieën? Maar eens, toen ze nog nieuw waren, hebben de huizen in die stadjes er zo uitgezien. Het komt dus neer op de vraag of we het verleden coûte que coûte moeten herstellen.

Maar dat Rembrandt, om op hem terug te komen, teruggebracht wordt tot menselijker schaal, is alleen maar winst. Ook Huet geeft hem bijna goddelijke status: “...niemand heeft in dezelfde mate als hij alles in zich vereenigd; even diep op alles zijn merk gedrukt; aan alles dien zekeren glans uit hooger sfeer gegeven waaraan het dichtvermogen der fantasie herkend wordt. De Vliegende Hollander, welke in onze letteren ontbreekt, wordt bij Rembrand aangetroffen.”

Eerlijk gezegd, hebben zulke dithyrambes mij altijd wantrouwig gemaakt. Wat zou Rembrandt zelf ervan hebben gezegd? Heeft hij zichzelf, zoals de andere kunstenaars van zijn tijd, ooit anders dan als een ambachtsman beschouwd, die een opdracht zo goed mogelijk uitvoerde - en verder geen flauwe kul?

“Spreek ons niet van psychologie. Zeg toch niet dat de schilder hun ziel heeft gepeild: hij dacht er niet aan.” Dit schreef Huizinga, bijna zestig jaar na Het land van Rembrand, in Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw. Zeker, hij schreef dit naar aanleiding van de regentenstukken die Frans Hals aan het eind van zijn leven schilderde, maar geldt het ook niet voor Rembrandt?

Het is opmerkelijk dat Huizinga, nadat hij van Hals heeft gezegd dat hij, in die regentenstukken, “iets gemaakt (heeft) wat Velasquez niet gekund had”, en van Vermeer dat hij “een van die meesters (is) die alle vaktermen van hun kracht berooven, een die de kunstwetenschap uit haar verband tillen”, bij Rembrandt zijn aandacht “veeleer richt op de grenzen van Rembrandt's genie, op datgene wat hij niet gekund heeft, of waarin hij niet geslaagd is”.

Dat doet mij goed, want ook mijn voorkeur gaat uit naar Hals en Vermeer, maar ook naar Fabritius Emmanuel de Witte en sommige interieurs van Pieter de Hooch. Het bijzondere van de tentoonstelling die deze week in het Amsterdamse Rijksmuseum geopend is, vind ik dat zij Rembrandt terugbrengt in de rij van deze schilders.

Wat Rembrandt, ook na de restauraties, blijft onderscheiden van deze schilders (niet zozeer van zijn leerlingen), is het clair-obscur. En dat geeft Huet de volgende woorden in de pen, die, na 110 jaar, nog steeds behartigenswaard zijn: “Waren de hollandsche geleerden van den tegenwoordigen tijd te bewegen bij het zamenstellen hunner geschriften minder zelden zich naar Rembrand te rigten, onze geschiedenis althans zou er bij winnen. De beste historiestijl, heeft men in onze dagen naar waarheid gezegd” - en hier parafraseert Huet een uitspraak van Bagehot - “is nog altijd de stijl van Rembrand: veel weglaten, veel overdrijven, en op een klein getal feiten of beweegredenen veel licht doen vallen”.