Nederland legt in Maastricht een slap tekstje over cultuur op tafel; In het Nederlandse voorstel is geen sprake van behoud van eigen autonomie op cultuurgebied

In het gedruis van de voorbereidingen voor de Europese topconferentie in Maastricht heeft een belangrijk onderhandelingsterrein onvoldoende aandacht gekregen: dat van de cultuur. Het gaat om de vraag of, en zo ja, in welke mate, aan de organen van de Europese Gemeenschap, in casu aan de Raad van ministers en aan de Europese Commissie, het recht moet worden toegekend tot het uitvaardigen van regels op het culturele vlak en het zelf ondernemen van culturele activiteiten.

Die vraag is de afgelopen jaren steeds klemmender geworden, omdat de Europese Commissie zich bij herhaling heeft veroorloofd in het cultuurbeleid van de lidstaten in te grijpen, daarbij gebruik makend van haar uitsluitend economische bevoegdheden. De Commissie heeft zich in die gevallen steeds van dezelfde truc bediend: het plakken van een economisch etiket op culturele aangelegenheden. Op die manier was ze, althans formeel, gerechtigd haar regelzucht daarop bot te vieren. Klassiek geworden voorbeelden zijn de kwestie van de vaste boekenprijs, die zij als kartelvorming ziet. Verder de nationale subsidieverstrekking aan culturele activiteiten, in haar ogen strijdig met het anti-discriminatiebeginsel; dat wil zeggen dat die subsidieregelingen voor alle EG-onderdanen zouden moeten open staan. En ten slotte de beruchte richtlijn over grensoverschrijdende televisie, die de Commissie, daarin gesteund door de Raad van ministers, heeft bestempeld als grensoverschrijdende economische dienstverlening. Daarmee is, waarschijnlijk met opzettelijke instemming van onze eigen regering, de bijl gelegd aan de wortels van ons publiek omroepbestel.

De kwesties van de vaste boekenprijs en subsidiëring van nationale culturele activiteiten zijn nog niet uitgevochten, maar pas enkele weken geleden heeft de Commissie een document gepubliceerd met "nieuwe gezichtspunten' over culturele actie in de EG. Uit dat stuk blijkt dat haar appetijt om zich met de cultuur te bemoeien, sterk is toegenomen.

Degenen die zich zorgen maken over deze bemoeizucht van de EG zien daarin een mogelijke aantasting van de identiteit van de nationale en regionale culturen in de lidstaten. In Nederland en Vlaanderen hebben zich vele honderden bezorgde prominenten geschaard achter het particuliere Comité Buitenlands Cultureel Beleid. Dat heeft begin juni beide regeringen een ontwerp voorgelegd voor een aanpassing van de Verdragen van Rome, met als uitgangspunt de handhaving van de absolute autonomie op cultureel gebied van lidstaten en regio's. Die autonomie zou zich op zijn minst dienen uit te strekken tot het beleid ten aanzien van taal en letteren, het onderwijs, de wetenschap en het wetenschappelijk onderzoek, de media, de kunsten en het cultureel erfgoed, de volwassenen-educatie en het sociaal-cultureel werk. Men kan met recht de vraag stellen of deze lijst niet uitgebreid zou moeten worden met andere terreinen waarop Nederland een beleid voert dat vooruitloopt op wat elders in de EG wordt gedaan, zoals het sociale beleid, het drugsbeleid, het allochtonenbeleid en het emancipatiebeleid.

Maar de Nederlandse regering heeft er, op één loffelijke uitzondering na, te weten minister D'Ancona, in niets blijk van gegeven dat zij gesteld is op het behoud van haar culturele autonomie. Dat is des te merkwaardiger gezien het sinds jaar en dag door successieve regeringen ingenomen standpunt dat de Europese Gemeenschap zou moeten uitgroeien tot een werkelijke bondsstaat, een federatie. Welnu, alle bestaande federaties: Zwitserland, de Bondsrepubliek, Canada, de Verenigde Staten, en sinds kort ook België, hebben zeer nadrukkelijk de cultuur uitgezonderd van de bemoeienissen van de centrale federale regering.

Wat Nederland in Maastricht op tafel legt is een slap tekstje, dat door een vooraanstaande Vlaming een "typisch Belgische tekst' werd genoemd. Immers, “je kan er alle kanten mee uit”. In het Nederlandse voorstel is geen sprake van behoud van eigen autonomie op cultuurgebied, maar worden aan de Europese Commissie allerlei taken toebedeeld die haar tot dusverre ongeoorloofde activiteiten op cultureel gebied legitimeren en haar de gelegenheid geven in de toekomst op cultureel terrein overal te penetreren waar zij dat wenst. De schuldigen hier zijn de ministeries van buitenlandse en economische zaken, die als de dood zijn voor enige bevoegdheden van de EG en bovendien niet bij machte zijn de consequenties van hun opstelling voor de cultuur te overzien.

De Tweede Kamer had kunnen ingrijpen, zoals onlangs ook is gebeurd met het Nederlandse voorstel voor Maastricht voor samenwerking in de EG op onderwijsgebied. Als gevolg van de ongebreidelde zucht van minister Ritzen tot internationalisering van het onderwijs, hield dat voorstel een bedreiging in van onze in de Grondwet vastgelegde vrijheid van onderwijs. Gealarmeerd door de zogenaamde koepels van het bijzonder onderwijs, heeft de Kamer dit gevaar afgewend. Er staat nu in de onderwijsparagraaf: “met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijs”. Een soortgelijke formulering zou ook de culturele paragraaf redden.

Nu dit is gebeurd, kan alleen nog maar worden gehoopt dat het Nederlandse voorstel door andere landen wordt afgeschoten. Beter geen enkele regeling dan een regeling die een paard van Troje binnenlaat.