Literatuurhistorici over de stadscultuur; Van, voor en over burgers

Nederlandse literatuur uit de Middeleeuwen wordt tegenwoordig ijveriger bestudeerd dan ooit tevoren. Het gaat de neerlandici daarbij niet meer om de literaire waarde, de teksten worden gebruikt als bron van informatie voor de cultuur en de mentaliteit van de Lage Landen. Onder redactie van Herman Pleij verscheen nu een bundel artikelen over stadsliteratuur en burgermoraal in de late middeleeuwen. “Als neerlandici zich steeds meer als historici gaan presenteren, kan een kritische beoordeling van hun werk door de historici natuurlijk niet uitblijven.”

Herman Pleij e.a.: Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de middeleeuwen (Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen IV) Uitg. Prometheus, 442 blz. Prijs ƒ 49,90.

Het Middelnederlands is een dode taal. Wie niet door gedurige studie met het taalgebruik en de woordenschat van de Middelnederlandse auteurs vertrouwd is geraakt, zal weinig plezier beleven aan de teksten die zij ons nagelaten hebben. Terwijl Vondel nog, zij het ook niet zonder inspanning, in het origineel gelezen kan worden, gaan de Middelnederlandse teksten pas leven als ze door vertaling of hertaling toegankelijk gemaakt zijn. Jacob van Maerlant staat dichter bij Homerus en Vergilius dan bij Vondel en Huygens.

Vroeger was dit geen bezwaar: het Middelnederlands vormde een bepaald stadium in de ontwikkeling van de Nederlandse taal en daarmee van de Nederlandse natie en dus was de bestudering daarvan belangrijk. Historisch besef garandeerde de betekenis van de hoofse lyriek, de didactische poëzie en de boerden en kluchten uit de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw. Met de erosie van dat historisch besef werd evenwel de bestaansgrond onder de studie van de Middelnederlandse letteren weggetrokken. Wat kan ons de Middelnederlandse literatuur nog schelen als ook Vondel, Huygens en Bredero op school niet meer voor vol worden aangezien? Voor de Middelnederlandse literatuur dreigde een onbetekenend bestaan in de marge van de letterkunde.

Zover is het echter niet gekomen. Integendeel, de Middelnederlandse literatuur wordt ijveriger bestudeerd dan ooit tevoren en kan allerwege op grote belangstelling rekenen. Dat hebben de medioneerlandici weten te bereiken door zich en masse op de cultuurgeschiedenis te storten: de Middelnederlandse teksten worden niet meer om hun intrinsieke literaire of taalkundige kwaliteiten bestudeerd maar als bron van informatie voor de cultuur en de mentaliteit van de Lage Landen in de late middeleeuwen.

Zo'n manoeuvre is niet geheel vrij van problemen. Om literaire teksten te begrijpen moet men soms al zoveel van de context afweten dat de teksten zelf nauwelijks nog nieuwe informatie aandragen en zuiver illustratief worden. Literatuur gebruiken als bron voor kennis van idee en mentaliteit van een verleden tijd is soms erg hachelijk. Maar die cirkelredenering speelt de historicus ook parten als het gaat om andere bronnen en men kan er de literatuurhistorici dus niet speciaal een verwijt van maken.

En bovendien, hoe hachelijk de procedure ook is, vast staat dat de toenadering van literatuur- en cultuurgeschiedenis inmiddels enkele mooie boeken heeft opgeleverd. Het woord van eer van Frits van Oostrom (over de literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400) viel onmiddellijk in de prijzen en werd op één lijn met Huizinga's Herfsttij gesteld. Ook Herman Pleijs De sneeuwpoppen van 1511 (over literatuur en stadscultuur tussen middeleeuwen en moderne tijd) bereikte een breed publiek. Het resultaat van deze opbloei van de Middelnederlandse literatuurgeschiedenis-als-cultuurgeschiedenis was dat Van Oostrom met geld van NWO in 1989 in Leiden met een groots opgezet programma kon beginnen om de Nederlandse literatuur en cultuur van de middeleeuwen nog beter in kaart te brengen.

Alleseters

Als neerlandici zich steeds meer als historici gaan presenteren, kan een kritische beoordeling van hun werk door de historici natuurlijk niet uitblijven. Over het algemeen hebben historici weinig last van territoriumdrift; ze zijn professionele alleseters die geen benadering en geen onderwerp bij voorbaat van de hand wijzen. Maar ze zijn op hun manier wel kieskeurig; wat zich als historische wetenschap voordoet, moet wel aan zekere normen voldoen. Op dit punt blijkt het werk van de enthousiaste literatuurhistorici niet altijd de toets der kritiek te kunnen doorstaan. Een uitvoerige recensie van Het woord van eer in de immer degelijke Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden voerde tot de conclusie dat kernbegrippen als "hofliteratuur' en "mecenaat' op een wel zeer smalle tekstuele basis steunden. De samenhang in het boek berustte, als we de bespreekster mogen geloven, meer op suggestie dan op documentatie.

Kritischer was nog de bespreking die hetzelfde tijdschrift onlangs wijdde aan Pleijs boek over de sneeuwpoppen. Het centrale begrip van het boek, het zogenaamde "beschavingsoffensief' van de stedelijke elite tegen de cultuur van het lagere volk, kon geen genade vinden in de ogen van maar liefst vier critici en bleek in de internationale literatuur inmiddels ook achterhaald; bovendien leek de belangrijkste bron die Pleij had gebruikt, het rijmverslag van een sneeuwpoppenfeest uit Brussel anno 1511, ook voor heel andere interpretaties vatbaar dan de zijne. Natuurlijk was er ook veel waardering voor de moed en het enthousiasme van de schrijver, maar op essentiële punten was hij kennelijk toch tekort geschoten.

Sinds het verschijnen van De sneeuwpoppen heeft Pleij natuurlijk niet stilgezeten, in afwachting van het oordeel der historici. Publikaties bleven met grote regelmaat verschijnen en ook dit jaar is er weer een boek uitgekomen dat de Middelnederlandse literatuur voor een breed publiek vanuit een bepaald standpunt doorlicht. In het kader van het door Van Oostrom geleide programma heeft een werkgroep zich enige tijd beziggehouden met stadsliteratuur en burgermoraal in de late middeleeuwen en onder redactie van Pleij is daar nu in boekvorm het verslag van verschenen. Natuurlijk is dit niet "de nieuwe Pleij'; hoe goed een redacteur ook zijn best doet om de artikelen op elkaar af te stemmen en er een leesbaar geheel van te maken, er blijven altijd auteurs die zich alleen maar in moeizaam academisch jargon over de bladzijden blijken te kunnen bewegen en niet elk onderwerp kon naadloos met het centrale thema verbonden worden. Maar er is voldoende eenheid in het boek, al was het maar omdat in vrijwel alle bijdragen de visie van Pleij op het onderwerp als uitgangspunt of decor dient. Er is dus niets op tegen om naar aanleiding van dit boek nog eens de pretenties van de nieuwe medioneerlandistiek tegen het licht te houden.

Nuttigheid

De vraag die in het boek centraal staat is of er in de Middelnederlandse letterkunde van de late middeleeuwen sprake is van een aparte stadsliteratuur (literatuur van, voor en over burgers) en of daarin iets te merken is van een specifieke burgermoraal, hoe die er verder ook uitziet. In een lange inleiding schetst Pleij alvast de contouren van die burgermoraal. Hij valt niet terug op oude clichés als "nuttigheid' en "nuchterheid', maar komt aanzetten met een combinatie van wat ruimere omschrijvingen: de burgermoraal zou gekenmerkt worden door de lof op de (eigen) stad, het verlangen naar vrede, de zorg om het algemeen belang, de positieve waardering van arbeid en geld, het respecteren van het privé-leven, het streven naar zelfhandhaving en de inkleuring van wijsheid als handigheid en slimheid. Ook de gedachte dat sociale stijging niet slecht hoefde te zijn, was typerend voor de mentaliteit van de laat-middeleeuwse burger. Niet (zoals men vroeger dacht) bij Jacob van Maerlant in de dertiende, maar bij de Antwerpenaar Jan van Boendale in de eerste helft van de veertiende eeuw zou die burgermoraal voor het eerst duidelijk herkenbaar zijn, al moest het tot de vijftiende eeuw duren voordat er op ruime schaal van stadsliteratuur en burgermoraal sprake kon zijn. Maar hoe het ook zij, voor Pleij staat het vast: "Het huis van stadsliteratuur en burgermoraal in de late middeleeuwen (is) bewoonbaar gebleken'.

Wat mij bij het lezen van deze inleiding opviel was dat Pleij toch wel wat voorzichtiger is geworden; om de haverklap krijgt de lezer te horen dat er nog veel onderzoek te doen is, dat de sociale geleding van de middeleeuwse stad nog zeer onduidelijk is en dat de literatuurhistoricus op dit moment soms niet verder kan komen dan "wilde veronderstellingen'. Bovendien wijst Pleij er met nadruk op dat men burgermoraal en stadsliteratuur goed uit elkaar moet houden. Elementen van een burgermoraal komt men ook tegen in hoofse literatuur en niet alle stadsliteratuur draagt een duidelijke burgermoraal uit. Men zal Pleij hier niet zo gauw op een onverantwoorde uitspraak kunnen betrappen.

Maar hoe voorzichtig de generaal ook is, de soldaten zijn nog voorzichtiger. Pleij schuift bij voorbeeld Jan van Boendale met zijn Lekespiegel nog wel krachtig naar voren als de eerste auteur die blijk geeft van een stedelijk-burgerlijke mentaliteit; dat die tekst was opgedragen aan een edelman (met een functie in de stad) moest men niet al te zwaar laten meewegen. Maar als de Boendale-expert in het boek aan het woord komt, aarzelt hij. Het blijkt allerminst duidelijk te zijn voor welk publiek de auteur nu eigenlijk schreef en of hij daarbij wel zo duidelijk de mentaliteit van de stadsbewoner weergaf. Adel en stedelijk patriciaat zijn in de veertiende-eeuwse Zuidnederlandse steden moeilijk of helemaal niet uit elkaar te halen en de veiligste conclusie is dan ook dat Boendale voor beide groepen schreef en in zijn tekst voor beide groepen elementen opnam waarin zij zich konden herkennen.

Boekdrukkkunst

Een andere auteur heeft moeite met de datering van de algemene verspreiding van stadsliteratuur en burgermoraal. Uit zijn onderzoek naar het beeld van de koopman in de verhalende literatuur uit de late middeleeuwen komt namelijk naar voren dat er pas na 1500 sprake lijkt te zijn van een herkenbare burgermoraal in de literaire produktie. De boekdrukkunst, die vaak zo'n revolutionaire ontdekking wordt genoemd, heeft wat dit betreft eerder conserverend dan vernieuwend gewerkt. Weliswaar schiep de boekdrukkunst voor zichzelf een markt in de steden en onder de burgers, maar in eerste instantie werden vooral goedverkopende "ouderwetse' ridderverhalen op de drukpers gelegd; de eigenlijke stadsliteratuur, bij voorbeeld van de rederijkers, moest nog maar even wachten.

En zo is er in elke bijdrage wel een nieuw vraagteken of een aanvullende nuancering waardoor de voorstelling die Pleij in zijn inleiding schetste nog diffuser wordt. Veel discussiepuntjes kunnen alleen door de specialisten worden opgehelderd, maar aan de historisch geïnteresseerde (die toch ook tot het "geïntendeerde publiek' van dit goedverzorgde boek behoort) dringt zich de conclusie op dat de bruikbaarheid van het begrippenpaar stadsliteratuur en burgermoraal in de late middeleeuwen misschien wel wat minder groot is dan Pleij zich voorstelt. De categorieën - stad en hof, adel en burgerij - lopen zo door elkaar dat het nauwelijks mogelijk is de stadsliteratuur af te zonderen. Stedelijke motieven (de stad als decor, de koopman als maatschappelijk type, de visie van de burger als iets om rekening mee te houden) duiken op in de literatuur voor de adel en hoofse motieven blijven heel lang populair bij een stedelijk publiek. Er is zonder meer sprake van zoiets als "literatuur in de stad', maar het feit dat letterkunde in de stad tot stand komt of daar gerecipieerd wordt zegt op zichzelf nog niets over de aard van die literatuur. Het dreigt met "stadsliteratuur' dezelfde kant op te gaan als met "mecenaat' en "beschavingsoffensief': Van Oostrom en Pleij hebben die grootse concepties nodig om de afzonderlijke Middelnederlandse teksten op een hoger plan te tillen, maar bij nader onderzoek verdampen die begrippen de een na de ander.

Daarmee zijn we natuurlijk nog niet terug bij af. Pleij heeft, min of meer in de trant van Montaillou van Le Roy Ladurie en De kaas en de wormen van Ginzburg, met De sneeuwpoppen een boek willen schrijven waarin hij aan de hand van één tekst een heel beschavingsproces kon blootleggen. Zulke "micro-geschiedenis' doet het bij een breed publiek heel goed, maar voor de wetenschap is het uiteindelijk een doodlopende weg. Wie brede verbanden wil beschrijven, kan niet al zijn kaarten op één tekst zetten, want zulke teksten krijgen hun betekenis pas tegen de achtergrond van de algemene context. Aan dat decor wordt in de literatuurgeschiedenis van de middeleeuwen hard getimmerd, daar legt deze bundel wel getuigenis van af. Of daarbij begrippen als stadsliteratuur en burgermoraal op den duur nog bruikbaar zullen zijn, moet nog worden afgewacht.