Klucht van Goldoni in het noorden wat saai en primitief gespeeld

Voorstelling: De knecht van twee meesters van Carlo Goldoni door Noord Nederlands Toneel. Regie, vertaling en bewerking: Albert Lubbers en Evert de Jager; decor: Peter de Kimpe; licht: Henk van der Geest; spel: Chiel van Berkel, Fred Vaassen, Huib Rooymans, Elle van Rijn, e.a. Gezien: 3-12 Schouwburg Leiden. Tournee t-m 4-1.

't Seizoen begon zwaar in Groningen dit jaar. Noord Nederlands Toneel, het uit de Voorziening voortgekomen gezelschap onder artistieke leiding van Evert de Jager, bracht als eerste produktie het sombere Roberto Zucco van Bernard-Marie Koltès. De voorstelling was een dreigend en onheilspellend gevaarte, een lange aaneenschakeling van dramatische gevoelsexplosies en rauw geschreeuw, waarna het publiek volledig doordrongen van de ernst des levens huiswaarts kon keren.

Van een volstrekt andere orde daarentegen is de tweede produktie die nu bij NNT is te zien: De knecht van twee meesters van Carlo Goldoni. Het stuk behoort tot de commedia dell'arte en bevat volgens de regels van het genre veel kluchtige elementen, schuine grappen en clowneske, stereotiepe figuren. Naast de listige Arlecchino die dank zij zijn boerenslimheid voor geen gat is te vangen, treden in het stuk onder anderen Pantalone en Dottore op: de op geld beluste koopman en de oude dokter die zijn zinnen doorspekt met Latijnse zegswijzen om te benadrukken hoe gewichtig hij is.

Goldoni laat ze in De knecht van twee meesters ruimschoots aan het woord, maar de mooiste rol is weggelegd voor Trufaldino, een uitgekookte knecht die twee meesters tegelijk wil bedienen om zo verzekerd te zijn van een dubbel inkomen. Een van de redenen waarom het stuk na twee eeuwen nog steeds niet aan kracht heeft ingeboet is het feit dat de toeschouwers meer weten dan de personages op het toneel. Zo is ons al in een vroeg stadium duidelijk dat Trufaldino voor twee meesters werkt die elkaars geliefden zijn: de als man vermomde Beatrice en haar gevluchte minnaar Florindo. Beiden weten niet van elkaar dat ze in dezelfde herberg logeren, noch dat ze dezelfde knecht delen en die knecht moet zich in alle mogelijke bochten wringen om zich zonder kleerscheuren uit de ene na de andere gecompliceerde situatie te redden.

Veel van het succes van de voorstelling hangt af van de acteur die Trufaldino speelt. In de door Albert Lubbers en Evert de Jager geregisseerde versie bij het NNT heeft Chiel van Berkel de hoofdrol. Op rode gymschoenen slentert hij over het podium, waarbij hij al naar gelang de omstandigheden dat vereisen nu eens breed grijzend de zaal in blikt, dan weer met een van smart verwrongen gezicht in een hoekje kruipt. Alles aan hem beweegt, en dat geeft zijn vertolking een zekere schwung. Maar een komische persoonlijkheid is Van Berkel helaas niet en daardoor blijft hij de nar die hoe dan ook leuk wil doen maar dat niet is.

Dat wij Nederlanders niet erg bedreven zijn in het komediespelen blijkt ook uit de overige rollen. Hoewel sommige acteurs (Fred Vaassen, Huib Rooymans en Martin de Smet) merkbaar meer gevoel voor het genre hebben dan anderen, wil de klucht slechts uiterst moeizaam en vaak helemaal niet van de grond komen. In de bewerking van Lubbers en De Jager lijkt het schelden, vloeken, razen en tieren de rest van de tekst te overheersen - het stuk krijgt daardoor een lompe Hollandse toon die, te oordelen naar het gelach in de zaal, bij velen doorgaat voor dolkomisch, maar die mijns inziens juist een gebrek aan humor manifesteert.

Het is natuurlijk waar dat De knecht van twee meesters geen fijnzinnig blijspel is. Met behulp van karikaturale figuren appelleert het aan voor iedereen herkenbare zwakheden en tekortkomingen in de mens. Wat dat betreft hebben Albert Lubbers en Evert de Jager gelijk dat ze het stuk presenteren als een wat boerse klucht die zich afspeelt tegen een eenvoudig, niet-realistisch decor van Peter de Kimpe. Niettemin blijft het spel steken in nogal primitief volksvermaak, verrassingsloos en zelfs een beetje langdradig. En dat terwijl het stuk zo'n spektakel kan zijn, getuige de voorstelling die Franz Marijnen jaren geleden bij het Ro Theater regisseerde.