Kenneth Baker (ed.): I Have No Gun But I Can ...

Kenneth Baker (ed.): I Have No Gun But I Can Spit. Uitg. Faber & Faber, 185 blz. Prijs ƒ30,95 P. Craig (ed.): The Penguin Book of British Comic Stories, 523 blz. ƒ 31,- Adams & Tate (eds.): That Kind of Woman. Uitg. Virago, 280 blz. ƒ 30,95 F.C. Palgrave: The Golden Treasury. Penguin Classic, 526 blz. Prijs ƒ 31,-. David Herbert (ed.): Everyman's Book of Evergreen Verse. Uitg. Everyman, 388 blz. Prijs ƒ26,60 Bill Manhire heeft een eigenaardige smaak, maar je verveelt je geen moment. B. Manhire (ed.): Soho Square IV. Uitg. Bloomsbury, 288 blz. (ill.) Prijs ƒ 54,45

De bovenlip kan niet altijd gespannen zijn; gelukkig is de Engelse literatuur rijk aan geestige, fraai geformuleerde gemenigheidjes. In I Have No Gun But I Can Spit verzamelde Kenneth Baker 151 satirische gedichten en spotverzen. Hij koos, als Tory-politicus, vooral uit de welvoorziene categorie politieke verzen, waarbij hij het betreurt dat de Tweede Wereldoorlog veel saaiere poëzie opgeleverd heeft dan de Eerste. Rechtse satirici zijn leuker dan de linkse met hun botte bijlen, vindt hij - "few of them have any humour. The Nature of humour is conservative' - en volgens Baker slaapt in Engeland de satire nu al ongeveer zo lang als de Tories aan de macht zijn.

De bloemlezer geeft ons geen biografische informatie over zijn dichters en historische gegevens, waar die wel van pas waren gekomen, zijn schaars. De verzen moeten, binnen hun twaalf afdelingen, voor zichzelf spreken. Liefde, Geld, Engeland, het Buitenland, Zelfhaat, God, Oorlog en de Politiek: Baker gaat van Dryden tot Monty Python. D.H. Lawrence, Stevie Smith en de minder bekende William Plomer en Hugh MacDiarmid zijn flink vertegenwoordigd - Lawrence's "How Beastly the Bourgeois Is' werd echter niet opgenomen. Van de Amerikaan e.e. cummings een woedend vers over het -ingrijpen van zijn land in de Middeneuropese opstand van 1956: "so rah-rah-rah democracy- let's all be as thankful as hell- and bury the statue of liberty- (because it begins to smell)'. Baker suggereert voorzichtig dat zelfspot de mooiste satire voortbrengt, als de grens tussen liefde en haat wiebelig is. "England of clever fool, mad genius,- Timorous lion and arrogant sheep,- Half-hearted snob and shameful bully, (-) Shall we laugh or shall we weep?' Onfatsoenlijke, in-gemene, of onder-de-gordel gedichten heeft Baker niet uitgezocht. Die fraaie aan Auden ontleende titel van zijn bundel belooft wat dat betreft te veel.

Kenneth Baker (ed.): I Have No Gun But I Can Spit. Uitg. Faber & Faber, 185 blz. Prijs ƒ30,95

Is het niet grappig dat een Ierse het Penguin Book of British Comic Stories heeft samengesteld? Patricia Craig koos voor deze compilatie van 42 twintigste-eeuwse verhalen met humor die ze "typisch voor de Britse eilanden' noemt. Britse humor was heel vaak gebaseerd op het onderscheid tussen de klassen, op de onverwisselbare sociale codes van de verschillende maatschappelijke groeperingen waarin je maar liever geen vergissing moest maken. Onnodig te zeggen dat uit de afkomst van de meeste schrijvers al voortvloeide welke sociale mores in de literatuur als standaard golden. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam daar verandering in, en in de bundel van Craig zie je geleidelijk het perspectief van de Britse humor sociaal afwisselender worden. Craig zelf zegt dat er vroeger vaker komische types gebruikt werden, terwijl nu de dwaze situatie meer in trek zou zijn.

Dijenkletsers komen in dit boek niet voor. Het dichtst bij komt P.G. Wodehouse met een katvijandige bijdrage en het curieuze fragment van alliteratiegekkin Amanda McKittrick Ros die, als Ierse met een fanclub in Londen, deze bundel mag openen. Talrijk zijn, en niet alleen bij Saki, de optredens van vervelende tantes. Naast de weergaloze Saki met zijn wrangheid vallen op Katherine Mansfield (anti-Duits in 1911 met "Germans at Meat'), Richmal Crompton met haar Pietje Bell-type William, hatelijke Evelyn Waugh, Julian Barnes met het fabuleuze eerste hoofdstuk uit The History of the World in 10½ Chapters, Jeanette Winterson met haar schildpad Psalms, James Kelman met zijn onvrolijke industriestadhumor, en de Booker Prize-misloper William Trevor met een sterk verhaal over de "home-truth corner' op een niet leuk feestje waar een zielig dronken vrouwelijk kreng een zielige schuchtere vent afmaakt.

P. Craig (ed.): The Penguin Book of British Comic Stories, 523 blz. ƒ 31,-

De oorspronkelijk Nieuwzeelandse schrijfster Katherine Mansfield is ook te vinden in de Virago-bundel That Kind of Woman, een verzameling verhalen van Engelstalige modernistische schrijfsters die tussen 1890 en 1940 in Parijs aan de linkeroever van de Seine te vinden waren, of zich door de roemruchte sfeer aldaar lieten inspireren. Het slag vrouwen waar de titel op doelt is opstandig, getalenteerd, uitdagend, en leeft nadrukkelijk op haar eigen manier. Jean Rhys, Virginia Woolf, Leonora Carrington, Colette (die als Franstalige hier verdwaald is), Hilda Doolittle, Edith Wharton, Anaïs Nin, Stevie Smith, en natuurlijk Gertrude Stein en Djuna Barnes. De twee Australische samenstelsters claimen dat in dit boek voor het eerst de pioniersters van het Modernisme samengebracht zijn; het kwam voort uit een feministisch project "Re-reading Modernism'. Wat het proza van de schrijfsters onderscheidt van dat van Modernistische mannen is vooral dat zij bijna steevast kozen voor een vrouwelijk perspectief. De schok van dat nieuwe van toen voelen wij niet meer, we moeten er zelfs op attent gemaakt worden. That Kind of Woman is gelukkig ook uitstekend zonder aandacht voor de literatuurhistorische les te lezen, gewoon voor het plezier. Voor de bittere eenzaamheid bij Mansfield en Rhys, de ijzige en diamantharde wit van Djuna Barnes, de lichte waanzin bij Mary Butts en Mina Loy, de heerlijke verbeelding van Carrington, de humor van Janet Flanner, spanning bij Susan Glaspell, hevig overspannen zenuwen, jaloezie, postnatale hysterie - kortom alle ingrediënten voor een fijne, maar kuise verhalenbundel.

Adams & Tate (eds.): That Kind of Woman. Uitg. Virago, 280 blz. ƒ 30,95

Ontroering en herkenning in Everyman's Book of Evergreen Verse, een bloemlezing van ruim vijfhonderd favoriete gedichten die vaak zelfs bekend zijn bij het niet zo poëzieminnende deel van de Engelse bevolking. Regels er uit zijn doorgedrongen in de spreektaal en de krantekoppen en zeker ook in de reclameslogans, meer dan in het Nederlands het geval is. Philips zal er niet over denken om zijn huishoudelijke apparaten aan te prijzen met "waer werd oprechter trouw ter weereld ooit gevonden', terwijl elke Engelsman "a thing of beauty...' kan aanvullen met "is a joy for ever'. Behalve Keats staat er erg veel Shakespeare (28 blz.) in deze bundel, een paar Sonnets en fragmenten rond de bekendste citaten uit zijn toneelwerk - "What's in a name? That which we call a rose- By any other name would smell as sweet.'

Wat een schoonheid is er te vinden tussen deze evergreens voor everyman. "Do not go gentle into that good night,- Old age should burn and rave at close of day;- Rage, rage against the dying of the light' (Dylan Thomas). Een minpuntje is dat dit poëtische erfgoed wel chronologisch opgezet is, maar niet werd voorzien van jaartallen. Ook Amerikaanse gedichten werden opgenomen, maar minder. Dat kleuterrijmpjes om ruimteredenen achterwege werden gelaten is begrijpelijk, maar waarom niets van Ezra Pound of Hart Crane en maar één Auden? De bloemlezing houdt bij de Tweede Wereldoorlog op; volgens samensteller David Herbert hebben gedichten van daarna nog geen tijd gehad evergreen te worden. Misschien hebben ze nu ook wel te veel concurrentie van popsongs, en wordt er, net als bij ons, op school stiekem steeds minder aan poëzie gedaan.

"We read at once too much and too little' - Penguin herdrukte de klassieke poëziebloemlezing van Palgrave uit 1861, die tot aan de Tweede Wereldoorlog vele drukken beleefde: 650.000 exemplaren werden in heel het Britse Rijk verkocht. Tennyson, van " 'Tis better to have loved and lost- Than never to have loved at all' was Palgrave's adviseur. Ook hier veel Shakespeare, Keats en Wordsworth, maar meer van iedere dichter en ook meer oudere; alleen overleden auteurs werden opgenomen.

F.C. Palgrave: The Golden Treasury. Penguin Classic, 526 blz. Prijs ƒ 31,-.

David Herbert (ed.): Everyman's Book of Evergreen Verse. Uitg. Everyman, 388 blz. Prijs ƒ26,60

Mooi maar duur: de jonge prestigieuze Engelse uitgeverij Bloomsbury brengt voor de vierde keer een literaire "Christmas Pudding' van heel verschillende poëzie- en prozateksten, geschreven door allerlei schrijvers uit Groot-Brittannië en de USA plus Canada en, ditmaal voor het eerst, ook uit Nieuw-Zeeland, Australië, Samoa en de Filippijnen: Soho Square. De titel van de bundel, ditmaal samengesteld door Bill Manhire, verwijst naar het Londense adres van de uitgeverij. Een paar namen klinken bekend - Salman Rushdie, John Ashbery, Angela Carter, Seamus Heaney, Michael Ondaatje - maar vooral de vele Nieuwzeelandse namen wekken een exotische belangstelling op.

Met zwart-witte lino's van verschillende kunstenaars werd het boek gul doorschoten. Wat Manhire tot deze keuze bewogen heeft wordt uit zijn inleidende woorden allerminst duidelijk, een eventuele sombere ondertoon in de selectie wijt hij aan het moment van ontstaan, tijdens de Golfoorlog. De Samoaanse schrijver Albert Wendt schreef tijdens de Golfoorlog zijn bijdrage - vol met Maori-woorden - maar verdriet om een weggelopen echtgenote overheerst volkomen.

Er is onmogelijk samenhang aan te wijzen tussen de opgenomen verhalen en gedichten. Een oude visboer slaat op de dag van zijn Gouden Huwelijksfeest uit te lang opgekropte frustraties een jonge toerist zijn camera uit handen en vreet in blinde woede, tot zijn mond ervan bloedt, het filmpje op. Margaret Mahy, bekend schrijfster van kinderfictie, verrast met een verhaal waarin een dame een avontuur beleeft met haar oude, afgelegde maar springlevende huid die uit een klerenkast komt en dan mee mag naar een tatoeëerster. Jane Campion, verfilmster van Janet Frame's An Angel at My Table, is er met een meervoudig drama: door vriend verlaten vrouw probeert te vrijen met jongen in rolstoel als liefdeblijk aan haar gehandicapte broer die zelfmoord pleegde nadat zijn hoererende vriendin aan een overdosis stierf - dit alles koel, onbewogen verteld. Lloyd Jones laat een keurig Engels echtpaar, oma en opa, zich in een bus vol Russen overgeven aan het liefdesspel.

Bill Manhire heeft een eigenaardige smaak, maar je verveelt je geen moment.

B. Manhire (ed.): Soho Square IV. Uitg. Bloomsbury, 288 blz. (ill.) Prijs ƒ 54,45