Iraakse Koerden vluchten voor hun kwelgeest Saddam

SAID SADIQ-PENJWIN, 6 DEC. Temidden van de puinhopen van het eens welvarende Said Sadiq in het Koerdische noordoosten van Irak is de afgelopen maanden een uitgestrekt tentenkamp verrezen waarin zeker 50.000 Koerden leven. Slechts een minderheid van hen is oorspronkelijk afkomstig uit dit plaatsje, de meesten zijn gevlucht voor de aanhoudende beschietingen van zuidelijker gelegen Koerdische steden en dorpen door de troepen van hun grote kwelgeest, de Iraakse leider Saddam Hussein.

Khazan Laleh Jobar, een vrouw van in de dertig, is vier dagen geleden met haar man, een leerbewerker, en vijf kinderen uit de stad Kalar naar het noorden gevlucht. Ze wonen nu in een tentje, dat de dag daarvoor bij een flinke storm omverwaaide. “De Iraakse militairen bombardeerden Kalar elke dag. We waren doodsbang dat we gedood zouden worden”, zegt zij. Nu proberen ze zich zo goed en zo kwaad als het gaat in Said Sadiq te redden. Ze hebben nog geen voedselhulp ontvangen van Westerse hulporganisaties. Eten kopen ze in de stalletjes die langs de hoofdweg van Said Sadiq in groten getale uit de grond zijn geschoten, maar ze raken al aardig door hun bescheiden financiële reserves heen. Khazan en haar familie zijn echter vastbesloten om hier de winter te blijven.

Een paar puinhopen verder staat het tentje waarin Rana Mohammed, een vrouw met een doorgroefd gelaat en gebarsten handen, samen met haar zes kleinkinderen al drie maanden vertoeft. Het is niet van henzelf, maar van haar familie bij wie ze heeft moeten intrekken. Rana staat er afgezien van de familie alleen voor. Haar man is een paar jaar geleden overleden, terwijl haar beide zoons van 20 en 38 jaar oud begin dit jaar na de Koerdische opstand tegen Saddam Hussein zijn opgepakt en vermoedelijk gedood. De jongste was nog niet getrouwd, maar de oudste had zes kinderen, van wie de moeder ook al is gestorven. Het enige voedsel dat ze hebben is een beetje olie en rijst. Vlees eten ze nooit. Hoe ze de winter moet doorkomen weet Rana nog niet.

Vooral de afgelopen weken steeg het aantal nieuwkomers in Said Sadiq uit zuidelijker gelegen plaatsen gestaag. Sinds begin oktober zijn er, zo maakte het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties in Genève (UNHCR) gisteren bekend, in totaal 200.000 Koerden uit hun woningen in Noord-Irak gevlucht, met name wegens de aanhoudende artilleriebeschietingen door het leger op Koerdische dorpen. Volgens een woordvoerder van het UNHCR in Genève betreft het 141.000 mensen in de provincie Sulaimaniya en 60.000 in de provicie Arbil. Ongeveer de helft van hen kampeert nu in de open lucht, onder lappen plastic; de rest heeft tijdelijk onderdak gevonden bij vrienden en verwanten.

“Vandaag zijn er weer 103 families gearriveerd, gemiddeld met elk zeven personen”, verklaart Amin Awad, het Soedanese hoofd van het kantoortje van het UNHCR in Said Sadiq. Vorige week bracht hij een bezoek aan het gebied bij Kalar. “Die streek is in feite nu geheel ontvolkt.”

Pag 4:

Vluchtelingen gaan zware winter tegemoet

Awad wijst erop dat een deel van de mensen die nu in Said Sadiq en omgeving neerstrijken afkomstig is uit de bergstreken in het noorden waar het met de invallende winter snel kouder wordt. Ze komen vooral uit het plaatsje Penjwin dat een paar maanden geleden nog zo'n 280.000 mensen telde en nu vele tienduizenden minder. Eind vorige week schatte hij het totaal aantal vluchtelingen in Said Sadiq en wijde omgeving uit de zuidelijker gebieden op zo'n 100.000.

Het UNHCR en andere hulporganisaties zijn intussen druk doende om de oorspronkelijke bevolking te helpen bij de wederopbouw van hun huizen in de steden en dorpen die de afgelopen vijftien jaar stelselmatig door de Iraakse autoriteiten zijn verwoest. Colin Mitchell, het hoofd van het UNHCR-programma in de provincie Sulaimaniya waartoe ook Said Sadiq en Penjwin behoren, zegt op zijn kantoor in de stad Sulaimaniya dat er de afgelopen twee maanden grote vooruitgang is geboekt. “We hebben hier nu bijna 25.000 wooneenheden gebouwd, waardoor een paar honderdduizend mensen voor de winter een aanvaardbaar onderkomen hebben”, aldus Mitchell. “Ik werk al 14 jaar bij het UNHCR, maar iets op deze schaal in zo korte tijd heb ik nog nooit meegemaakt”. Maar liefst 1.600 Turkse vrachtauto's werden ingeschakeld om de bouwmaterialen naar de Koerdische plaatsen te brengen. Geholpen door uitzonderlijk mooi najaarsweer konden zo vele duizenden Koerden aan de slag om hun huizen althans provisorisch weer op te bouwen. Het zou gemakkelijker zijn geweest indien de hele operatie via Bagdad zou zijn gelopen maar de regering hanteert voor de VN een kunstmatig hoge wisselkoers, zodat de kosten dan ruim dertig keer zo hoog zouden zijn geweest.

Ondanks dit succes geeft Mitchell toe dat zijn organisatie geen speciale programma's heeft opgezet voor de nieuwe stroom vluchtelingen uit het zuiden. “Toen we deze operatie opzetten, wisten we nog niet dat er weer zo'n omvangrijke stroom op gang zou komen”, zegt hij. Het UNHCR is bovendien bang de vluchtelingen meer te bieden dan een tent en wat eten, omdat de organisatie vreest anders te worden beschuldigd van partijdigheid voor de Koerden tegenover het bewind in Bagdad, op uitnodiging waarvan de VN-organisatie formeel in Irak opereert. Mitchell doet geheimzinnig over de noodvoorraden die het UNHCR heeft aangelegd, maar hij geeft toe dat deze bij een aanhoudende stroom vluchtelingen ontoereikend zijn. “Waarschijnlijk is er een nieuwe menselijke tragedie nodig om een grote humanitaire inspanning op gang te brengen”, voorspelt hij somber.

Minder diplomatiek laat de plaatselijk UNHCR-chef in Penjwin, Jim Reynolds, zich uit. Gezeten in de tent waar hij kantoor houdt zegt hij terwijl de regen voor het eerst in weken bij bakken uit de hemel valt en de omgeving meteen in een modderpoel wordt herschapen: “Schrijf op: als Saddam Hussein ophoudt met het bombarderen van Kalar, dan is het probleem opgelost. Daar knel de schoen. Dat regime heeft geen respect voor de menselijke waardigheid”.

Voor de overgebleven vluchtelingen in het op 1500 meter hoogte gelegen Penjwin, aan de grens met Iran, verslechtert de toestand snel. De temperatuur daalt er 's nachts tot zeven graden beneden het vriespunt en overdag valt er een kille regen op de tenten die lang niet allemaal waterdicht zijn.

Op een winderige vlakte, even buiten Penjwin, geeft Wanda Aziz bij een houtvuurtje haar baby de borst. Met haar negen personen tellende gezin moet ze het stellen met een tentje met een oppervlakte van ruim zeven vierkante meter. De tent is niet waterdicht. In een hoek liggen de totale bezittingen van de familie opgeslagen: wat kleren en een stapel dekens. Haar man probeert uit alle macht wat geld te verdienen zodat zijn kinderen te eten hebben. Haar hoop heeft Wanda Aziz, die 30 jaar oud is maar er zeker vijftien jaar ouder uitziet, gevestigd op een van de 3.000 geprefabriceerde noodwoningen in de buurt van Said Sadiq, waarvan er een aan haar familie is toegezegd. Dat onderkomen is echter pas op zijn vroegst eind december klaar. Talloze andere vluchtelingen bij Penjwin staan nog niet eens op de nominatie om naar de geprefabriceerde woningen te gaan maar zijn niettemin vastbesloten om te blijven.

Grote problemen voorzien de hulpverleners in Penjwin als de brandstof opraakt in het gebied. De vluchtelingen moeten dan door de sneeuw naar bomen toelopen en kunnen niet zien of ze op een van de ontelbare landmijnen stappen, die indertijd in het grensgebied met miljoenen zijn uitgestrooid door de Iraakse militairen. Trouwens ook volgend voorjaar zal het heel moeilijk worden. De boeren kunnen immers hun landjes niet bewerken.

Afgelopen zomer kwamen daardoor volgens Reynolds gemiddeld acht mensen om het leven of werden ernstig gewond. Nu, kort voor het echte begin van de winter, is dat gereduceerd tot gemiddeld één slachtoffer om de andere dag. Overal in de omgeving van Penjwin staan borden dat het levensgevaarlijk is om je buiten de openbare weg te begeven. Her en der hebben mensen met gevaar voor eigen leven masten met rode vlaggen neergezet met doodskoppen erop getekend. “Het is droevig”, zegt een oudere Koerdische ingenieur uit Sulaimaniya, “Vroeger was het hier een prachtig en stonden er overal theehuisjes waar de mensen uit de hete vlakte 's zomers wat verkoeling zochten”.

Voor velen kwamen de waarschuwingen voor de landmijnen te laat. In een ziekenhuis in Sulaimaniya liggen verscheidene verminkte slachtoffers. Van de 38-jarige Jabar Mohammed Ahmed, die tot 29 september herder was bij Penjwin, is weinig meer over. Toen hij die dag wat bessen wilde plukken voor zijn kinderen, zag hij plotseling een glimmend voorwerp. Hij pakte het nieuwsgierig op, waarna het in zijn handen explodeerde. Zijn mond werd verminkt, waardoor hij nauwelijks meer kan praten en er uitziet als een zwakzinnnige, zijn ogen werden ernstig beschadigd, hij mist zijn linkerhand en van de rechter zijn alle vingers weggerukt. Naast hem ligt de achtjarige Tair Sharif, ook een herder uit Penjwin, die iets interessants op de grond zag liggen. Hij raapte het op om er onder een boom wat mee te spelen. Dit plan moest hij bekopen met het verlies van zijn rechterhand en van zijn linkeroog.

In Penjwin en omgeving werkt intussen een Koerdische deskundige, die vroeger in het Iraakse leger werkzaam was, koortsachtig met een team van vijf vrijwilligers om de mijnen op te ruimen. De afgelopen twee maanden hebben ze er al enkele tienduizenden weten op te ruimen. Twee vrijwilligers verloren daarbij overigens het leven. Burhan Hussein Ali schat het totale aantal mijnen in het Koerdische noorden van Irak op enkele tientallen miljoenen.