Een voorname kat

“Nou moet je ophouden”, zei meneer Ratti. “Ik heb je al gezegd dat het mjn kat is.” En tegen de kat zei hij: “Stil maar poesje, rustig maar mijn poesjelief.”

De kat bleef miauwen.

“Is... is hij zwart?” vroeg het meisje.

“Hier en daar. Er zit ook heel wat wit aan. Maar wat gaat jou dat aan, druiloor?”

“Misschien is uw kat wel buiten. Misschien vergist u zich. Misschien is het toch Vosje, want misschien heeft hij wel witte haren gekregen van verdriet...”

“Wat een onnozele onzin!”

“Mag ik hem astublieft zien?”

“Geen sprake van!”

“Als u hem laat zien, mag u deze knikkers hebben.”

Het meisje hield nog steeds haar handen door de brievenbus. Meneer Ratti keek gretig naar de knikkers die erop lagen en likte zijn lippen.

“Ook de parelbonken?”

“Ook ja.”

“Een ogenblikje... Ik ben een ouwe man en dus niet zo snel ter been... En poesje loopt net weg, dus ik moet hem even gaan pakken...”

Maar het eerste wat meneer Ratti pakte, was het busje witte verf.

“Er zit niet veel meer in, maar wel voldoende”, gniffelde hij. “En een kwast hoef ik niet te zoeken, want dat beest heeft zelf het mooiste penseel.”

Hij greep de kat in zijn nekvel en doopte de punt van de staart in het busje.

“Perfect”, fluisterde hij bij het zien van de spierwitte punt. “Maar mijn poesje bezit meer wit...” En toen haalde hij de natte kattekwast over het kinnetje, een wang en een oor van de kat.

“Hier ben ik alweer”, zei meneer Ratti.

Hij opende de deur op een kier en boog zijn hoofd om niet naar het meisje te hoeven kijken.

“Zo, nou kun je zien dat het jouw kat niet is”, zei hij, terwijl hij met zijn linkerhand de kat vasthield en zijn rechterhand door de kier stak. “Dus kom maar op met die knikkers.”

“Ja”, zei het meisje zacht. “U staat nogal in het donker, maar ik kan hem wel zien. Hij lijkt op Vosje, al heeft hij een ander snoetje... Hoe heet hij?”

“Wat doet dat er nou toe?”

“Hij heeft een grappig snoetje, als een clown...”

“Een clown? Mijn kat? De kat van een heer? Niets ervan, mijn kat is gewichtig. Daarom heet hij... Baron.”

“Is dat zijn voornaam?”

“Nee domoor, maar hij is wel voornaam. Nou, komt er nog wat van die knikkers?”

Meneer Ratti voelde de knikkers in zijn hand glijden en hij voelde ook, heel even, hoe koud de handen van het meisje waren.

“Dag Baron”, zei ze.

Het leek erop dat ze de kat wou aaien en meneer Ratti deinsde achteruit en keek van schrik op.

Daardoor zag hij het meisje.

Hij had haar wel eens eerder gezien. Ze woonde met haar moeder schuin aan de overkant. Maar nu zag hij haar van dichtbij, en hij zag dat ze een aardig gezicht had en ogen die vol tranen stonden.

“Verdorie, zo is het genoeg”, zei hij bars en duwde met zijn voet de deur dicht.

Hij zette de kat op de vloer en pakte de kandelaar. Glunderend bekeek hij de grote, glanzende knikkers in zijn hand.

“Daar liggen de juweeltjes dan, als eitjes in een nestje... Dat spelletje heb ik toch maar weer mooi sluw gespeeld.”

(wordt vervolgd)