Een meester in verdriet; Vier opera's van Mozart op cd

Op het eerste gezicht lijken Mozarts opera's te passen in de traditie: ondanks veel ellende lopen ze goed af. Toch was Mozart een belangrijk vernieuwer omdat hij personages van vlees en bloed neerzette. “Mozarts figuren zijn geen zingende standbeelden en zijn verhalen geen met noten opgesmukte toneelstukken.”

Die Entführung aus dem Serail (L'Oiseau-Lyre 430 339-2); Cos fan tutte (Teldec 9031-71381-2); La clemenza di Tito (Archiv 431 806-2); Die Zauberflöte (EMI 7 54287 2)

De weerberichten voorspelden de hele week al dat er vandaag geen vuiltje aan de lucht zou zijn. Tweehonderd jaar geleden was dat wel anders, toen stormde en regende het en was 't zo koud, dat zelfs mevrouw Mozart geen zin had in de barre tocht naar het kerkhof, waar haar veel te jong gestorven echtgenoot in een armzalig, anoniem graf werd gelegd. Als dat geen bewijs is van de hardvochtigheid van de weduwe. De overlevering wil dat Wolfgang Gottlieb Mozart arm en eenzaam stierf, verraden door de Weners, die geen oog hadden voor zijn genie, die al lang niet meer naar zijn openbare concerten kwamen en zelfs zijn opera's de rug toekeerden.

De dramatische ondergang van een geniaal componist! Een prachtig slot van een operalibretto. Men hoort in gedachte al het fraaie terzet waarin de toondichter zijn laatste adem uitblaast, begeleid door de treurende coloraturen van zijn vrouw en een radeloze arts, die machteloos moet toezien hoe de dood het lichaam van de componist opeist. Tot slot zingt een koor een ontroerende klaagzang, terwijl de componist door een doodgraver op een aftandse houten kar van het podium wordt gedragen.

Mozart had er ongetwijfeld prachtige noten voor kunnen schrijven, maar het is de vraag of het libretto hem zou hebben aangesproken. In zijn opera's vallen niet veel doden en, met uitzondering van notoire schurken als Don Giovanni en de Königin der Nacht, worden de meeste personages aan het eind gered. De Turkse pasja uit Die Entführung aus dem Serail laat Constanze en Belmonte, die hij als slaven in zijn macht heeft, vrij, al houdt hij van Constanze en heeft Belmonte's vader hem veel leed berokkend. In Cos fan Tutte spelen de heren een uitgekiend spel om de trouw van hun geliefden te testen, totdat iedereen elkaar vergiffenis schenkt. Keizer Titus velt in La clemenza di Tito een mild oordeel over Sextus en Vitelia, die hun plan om de keizer te doden zien mislukken; en de geliefden uit Die Zauberflöte vinden elkaar na een reeks zware beproevingen.

Absoluut

Toch kan men zich op basis van deze opera's, waarvan onlangs nieuwe opnamen op cd verschenen, voorstellen hoe Mozart het libretto van de miskende componist getoonzet zou hebben. Mozart is een absolute meester in verdriet. Voorafgaande aan het happy end is er in zijn opera's altijd wel iemand die graag wil sterven, want liefde en dood zijn bij hem twee kanten van dezelfde medaille. De aria's die de componist daarvoor verzint zijn wonderschoon. "Ach, ich fühl's, es ist verschwunden' zingt Pamina in Die Zauberflöte en ze hoopt rust te vinden in de dood. In dezelfde smartelijke toonsoort g-klein en met soortgelijke muzikale wendingen, beweent Constanze in Die Entführung haar "Traurigkeit' en ze voelt hoe haar leven verdort als een door wormen aangevreten roos. Het weergeven van de droefheid in die op het eerste gezicht simpele, vrolijke melodieën is een van de lastigste opgaven voor een Mozart-zanger.

Mozart toonde in zijn opera's het leven zelf, en dat was voor die tijd betrekkelijk nieuw. Mozarts figuren zijn geen zingende standbeelden, maar mensen van vlees en bloed, en zijn verhalen geen met noten opgesmukte toneelstukken. Het libretto vertelt slechts de helft, de muziek doet de rest. Als Ferrando in Cos met woorden treurt om het mislukken van zijn liefdesspel, laat de vriendelijke begeleiding horen dat hij eigenlijk heel tevreden is, want hij heeft daardoor wel een weddenschap gewonnen.

Een van de scherpste muzikale karakters creëerde Mozart in Die Entführung. Hij maakt van de bullebak Osmin met zijn voortdurend grommende bas een soort karikatuur van de mannelijkheid en geniet vervolgens van de mogelijkheid om daarmee muzikaal de draak te steken. Mozart laat Blonde, met haar ijle sopraan-stemmetje, een imposante melodisch dalende lijn van Osmin imiteren. De sopraan eindigt op een lachwekkende lage as, die normaal alleen door stevige alten wordt gezongen. In dezelfde opera zingt Pedrillo zich moed in, door met krachtige melodische uithalen het nerveus beweeglijke orkest tot rust te manen.

Ondubbelzinniger dan in Die Zauberflöte, waarin Tamino en Papageno worden gered door de melodietjes die ze uit de toverfluit en het klokkenspel halen, kon Mozart de noodzaak van de muziek voor het verloop van het verhaal nauwelijks aantonen. Het is ook niet toevallig dat juist in deze opera zoveel zonder woorden wordt gezongen. Papageno kan met een slot op zijn mond een tijd lang niets anders uitbrengen dan een hulpeloos ge-hm. De knechten van de Moor Monostatos zingen, verdoofd door Papageno's klokkenspel, uiteindelijk nog slechts la-lala. En het stotterende hoogtepunt vormt het liefdesduet tussen pa-papa-papageno en pa-pa-pa-papagena.

Oude operavorm

Het beste bewijs dat hij de opera leven had ingeblazen gaf Mozart zelf. Als hij in 1791 met La clemenza di Tito een oude operavorm van stal haalt, slaagt hij er zelf niet meer in om dat met overtuiging te doen. Natuurlijk klinkt de opera als Mozart, kent zij een aantal prachtige aria's en weet de componist ook hier zijn muzikale spel te spelen, bij voorbeeld in het recitativo accompagnato "Oh, Dei, che smania è questa' waarin Sesto's doodsangst en "zitterndes Herz' door trillers in het orkest wordt uitgedrukt. Maar het verhaal wordt onvoldoende voortgestuwd door de innerlijke logica van de muziek.

Van vier dirigenten uit de oude muziek verschenen, in de eindsprint van het Mozartjaar, kort na elkaar vier mooie cd-opnamen van Mozartopera's. Christopher Hogwood maakte met The Academy of Ancient Music een opname van Die Entführung, helder van klank, goed uitgebalanceerd en met gevoel voor dramatische proporties. Nikolaus Harnoncourt is in Cos fan tutte met het Concertgebouworkest subjectiever dan Hogwood. Hij werkt met een voor dit repertoire vrij "log' klinkend modern orkest en kiest gedurfde tempi, zowel snelle als langzame. Ook Roger Norrington en zijn London Classical Players houden in Die Zauberföte van extremen, maar vooral in snelle tempi. Het orkest klinkt lekker ongepolijst. John Eliot Gardiner en The English Baroque Soloists slaagden erin om van de anachronistische opera La clemenza een dramatische, en soms zelfs spannende, eenheid te maken. De fortepiano als instrument in het begeleidende continuo past niet bij de klassieke sfeer van het verhaal, een klavecimbel was hier beter op zijn plaats geweest (in tegenstelling tot Die Entführung en Die Zauberflöte, waar het gebruik van de fortepiano niet stoort; alleen Harnoncourt gebruikt een clavecimbel).

De solisten zijn op alle vier opnamen met zorg gekozen, met hoofdrollen voor de lyrische tenor Anthony Rolfe Johnson (zowel Tito bij Gardiner als Tamino bij Norrington), de lieflijk klinkende sopraan Lynne Dawson (Constanze in Die Entführung), de krachtige Nederlandse sopraan Charlotte Margiono (Fiordiligi in Cos), de heldere Sylvia McNair (Servilia in Tito), en Beverly Hoch die de hoge g van de Königin der Nacht in Die Zauberflöte redelijk moeiteloos laat klinken.

De vier dirigenten voeren hun strijd met Mozart op het scherp van de snede. De opnamen hebben de juiste balans tussen vrolijkheid en melancholie. Alles staat in dienst van het drama, van een ontknoping die onvermijdelijk volgt uit de voorafgaande gebeurtenissen, zoals de componist het zich ongetwijfeld voorstelde.

Verlaten

Mozart slaagde erin operalibretto's tot leven te brengen, maar het zijn biografen geweest die geprobeerd hebben van zijn leven een geslaagd operalibretto te maken. Vooral het einde is echter minder dramatisch dan we altijd dachten. Niets wijst erop dat de componist van alles en iedereen verlaten was. Dat Constanze Mozart haar man niet naar het kerkhof begeleidde was toen heel gewoon. Keizer Joseph II had een decreet uitgevaardigd, waarin hij een rationele en hygiënische manier van begraven voorstond. Kerkhoven lagen ver buiten de stad, doden konden maar het best in een linnen zak worden begraven, zodat het lichaam snel verging en de doodskist bovendien vaker kon worden gebruikt. Om ruimte te besparen werd een aantal doden in één graf gelegd. Grafstenen vond de keizer een luxe die mensen nodeloos op kosten jaagde, ze mochten alleen langs de omheining van het kerkhof worden geplaatst.

Eenzaam en vergeten was Mozart ook al niet. Zijn Zauberflöte trok in Wenen nog steeds volle zalen en een week na zijn dood bezochten vierduizend enthousiaste muziekliefhebbers een herdenkingsdienst in Praag. Her en der vonden benefietconcerten plaats waarin Mozarts muziek werd gespeeld ten bate van de achtergebleven arme weduwe.

Overigens was Mozarts begrafenis waarschijnlijk niet op 6 december, zoals lange tijd werd gedacht, maar een dag later. Een dode mocht pas na 48 uur worden begraven en onderzoek heeft uitgewezen dat het weer op 6 december 1791 niet slecht was voor de tijd van het jaar. De volgende dag regende het pijpestelen.