Een Europese poppenkast in Dublin; Celine zou niet gekomen zijn

Twee jaar geleden stelde de Europese Commissie de Europese Literatuur- en Vertaalprijzen in. In Dublin kreeg de Italiaanse dichter Mario Luzi vorige week de Europese Literatuurprijs uitgereikt voor zijn boek "Frasi e incisi di un canto salutare'. Reinjan Mulder sprak met hem. “Ik weet niet of ik christen ben. Dat is een zware verantwoordelijkheid.”

De Europese Vertaalprijs ging naar de Nederlander Frans van Woerden. Maar hoe wisten de juryleden, die uit alle landen van de Europese Gemeenschap afkomstig zijn, dat Van Woerden het Frans van Céline in een "volmaakt Nederlands equivalent' had vertaald? Wat is eigenlijk de taak van deze juryleden?

Voor de Nederlandse ambassadeur in Ierland was het al meteen duidelijk waarom de Nederlandse Céline-vertaler Frans van Woerden vorige week de Europese Vertaalprijs kreeg. Tijdens het banket in Dublin ter gelegenheid van de prijsuitreiking liet hij weten dat 45 duizend gulden die aan de prijs verbonden zijn waarschijnlijk bij ons zijn terechtgekomen omdat Nederland op dit moment voorzitter van de Europese Gemeenschap is. Wie de hele dag in diplomatieke kringen verkeert, kan zich kennelijk niet goed voorstellen dat er nog zoiets als kwaliteit bestaat. Een prijs voor de beste vertaling van heel Europa kan volgens zo iemand alleen maar gaan naar degene die op grond van wetmatigheden aan de beurt is.

De ambassadeur vergiste zich. De Europese Vertaalprijs is niet naar een Nederlander gegaan omdat ons land toevallig voorzitter van de Europese gemeenschap is. Frans van Woerden is bekroond omdat de internationale jury die in Dublin over de prijs vergaderde werkelijk tot de conclusie kwam dat zijn vertaling van Célines De Brug van Londen de beste was van de 28 vertalingen die waren ingestuurd. Net zoals de jury van de Europese Literatuurprijs, die op dezelfde avond aan de Italiaanse dichter Mario Luzi werd uitgereikt, van mening was dat Luzi's Frasi e incisi di un canto salutare het beste boek was onder de 33 oorspronkelijke werken die uit heel Europa waren ingezonden. Beter dan de verzamelde gedichten van Seamus Heaney, beter dan Au pair van W.F. Hermans, en ook beter dan De hoed van tante Jeannot van Eric de Kuyper, de enige Nederlandstalige roman die het tot de shortlist had gebracht.

Maar is het raadsel van de Europese literatuurprijzen daarmee nu ook opgelost? Nee. Integendeel. Want waarom vonden de negen juryleden uit negen verschillende taalgebieden die voor de beslissing verantwoordelijk waren de vertaling van Frans van Woerden zo goed? Hoe zijn ze tot hun besluit gekomen? En hoe, zo luidt de meest klemmende vraag, konden zij zich uitspreken voor een boek dat kennelijk als grootste verdienste heeft dat er een volmaakt Nederlands equivalent voor het Frans van Céline in staat?

Om op dit soort vragen een antwoord te krijgen ben ik de dag voor de beide prijswinnaars bekend worden gemaakt, op bezoek bij de Irish Arts Council, de semi-ambtelijke organisatie die belast is met de organisatie van de Europese prijzen. Dublin is op dit moment de Culturele Hoofdstad van Europa en de Literatuur- en de Vertaalprijs vormen in dit festijn een belangrijk element. Ze worden beschouwd als een eerste poging om te komen tot een geïntegreerd Europees cultuurbeleid. Het initiatief voor de beide prijzen is twee jaar geleden dan ook door de Europese Commissie genomen, in het ambtelijke rapport Books and Reading.

Bureaucratisch

Op een volgepakt zolderkamertje van de Arts Council vertelt Laurence Cassidy, een hartelijke Ier die de festivals en de literatuur in zijn portefeuille heeft, hoe er dit jaar te werk is gegaan. Ik begrijp al gauw dat de organisatie van de Europese Literaire Prijzen een uiterst bureaucratische aangelegenheid is. Van het geld dat de Europese Commissie voor de beide prijzen beschikbaar had gesteld, ruim driekwart miljoen gulden, gaat bijna negentig procent naar de organisatie van de hele onderneming, en slechts tien procent komt terecht bij degenen voor wie het bedoeld is, de prijswinnaars.

Laurence Cassidy vindt een dergelijke verhouding echter gerechtvaardigd. “Het gaat er hier uiteindelijk om dat wordt uitgemaakt wat het beste boek is dat in Europa verschenen is.” Er wordt zeer formeel gewerkt, maar dat kan niet anders. De jury is niet zo maar een vriendenclubje dat eventjes uitmaakt wie ze nu eens een prijsje zullen geven. Het is een klein internationaal bedrijfje compleet met advies- en hulpdiensten. Als de jury vergadert, heeft ieder lid een microfoon voor zich staan. Er zijn voortdurend drie tolken in de weer die alles simultaan in het Engels en het Frans vertalen. Technici nemen alles wat gezegd wordt op de band op. En van de vergaderingen worden later uitgebreide notulen gemaakt, die weer worden rondgestuurd. Ook de kosten van vliegtickets en hotels zijn zeer hoog. De achttien juryleden moeten steeds weer naar Dublin worden gevlogen waar ze in hotels moeten worden ondergebracht.

Maar eerst zijn er natuurlijk boeken nodig waarover wordt gepraat. Ik vraag wie de titels heeft voorgedragen die meedingen naar de prijs. Het blijkt een gevoelig onderwerp te zijn dat geheel is overgelaten aan de ministeries van de deelnemende landen. Elk land van de Europese Gemeenschap mocht drie romans of dichtbundels en drie vertalingen insturen. Sommige landen, zoals Ierland, stelden daarvoor uitgebreide commissies in die honderden boeken aan een nauwgezet onderzoek onderwierpen. Andere landen gingen pragmatischer te werk. In Nederland werd door het Ministerie van WVC een commissie ingesteld onder voorziterschap van Kees Fens die met twee maal drie titels kwam: Au Pair van W.F. Hermans, De Lichtjager van Marja Brouwers en Een man uit het dal van Spoleto van Helène Nolthenius, en vertalingen van Sjaak Commandeur, Piet Meeuwse en Frans van Woerden.

Over de 33 oorspronkelijke werken en de 28 vertalingen die waren geselecteerd zijn na een eerste juryvergadering in mei leesrapporten gemaakt. Sommige boeken werden becommentarieerd door een jurylid dat de taal beheerste. Soms ook werd een rapport gemaakt door een anonieme buitenstaander. Cassidy vertelt dat hij van veertig boeken waarover de jury zelf te weinig kon zeggen leesrapporten of proefvertalingen heeft laten maken. Bij universiteiten en ambassades ging hij na wie op het terrein van het boek deskundig was en zo iemand kreeg dan van hem de opdracht een tweede opinie te geven. Op grond van alle rapporten en proefvertalingen werden eind september twee shortlists bekend gemaakt waarop twee keer zes titels voorkwamen.

Als ik Laurence Cassidy spreek heeft er net een zeer kritisch stuk in de Sunday Times gestaan. De Europese Literatuurprijzen worden daarin gehekeld als een typisch Brusselse vorm van geldverspilling waar de cultuur zelf niets wijzer van wordt. De prijs zou geen enkel gezag hebben en de organisatie zou veel te veel kosten. Cassidy noemt de aanval een uiting van Engelse eurofobie. Hij geeft toe dat de prijs tot nu toe weinig gezag heeft. “Maar wat wil je. De prijs wordt pas voor de tweede keer uitgereikt. Bij de Bookerprijs heeft het tien jaar geduurd voor hij het gezag had dat hij nu heeft.”

Cassidy vertelt dat hij om de prijs wat bekender te maken een groot bedrag voor publiciteit heeft uitgetrokken. In oktober heeft hij de namen die op de shortlist terecht waren gekomen in advertenties in de grootste Europese kranten bekend gemaakt ("helaas voor u in Nederland in De Telegraaf'). En voor sommige journalisten die naar Dublin willen komen, is hij zelfs bereid de reis en het hotel te betalen.

Niet eerlijk

De Irish Arts Council is zo slim geweest de juryleden onder te brengen in het ver van het centrum gelegen Jury's Hotel, waar ook alle vergaderingen plaatsvinden, maar met een taxi is hun isolement snel opgeheven. De avond voor de winnaars worden aangewezen, spreek ik in een zitkuil van het hotel, die is ingericht als bar, met Barber van de Pol en Anne-Marie Musschoot, het Nederlandse en het Belgische lid van de jury. Nederland en Vlaanderen worden hier beschouwd als één taalgebied en mogen daarom voor elke jury slechts één lid leveren: Van de Pol zit in de vertaalafdeling, Musschoot in de sectie die over de literatuur beslist.

“Claude Simon komt morgen!” is een van de eerste dingen die Barber van de Pol zegt. Ze is diep verontwaardigd. De Franse Nobelprijswinnaar heeft geen enkel boek geschreven dat genomineerd is, maar de vertaling van zijn Les Géorgiques door het Engels echtpaar John en Beryl Fletcher komt op de shortlist met vertalingen voor. Simon komt zijn vertalers kennelijk een hart onder de riem steken. Van de Pol vindt het niet eerlijk. “De andere schrijvers die vertaald zijn, komen toch ook niet naar Dublin, als ze dat al zouden kunnen. Céline is al lang dood.” Gelukkig weet Anne Marie Musschoot niet welke schrijvers er morgen naar het banket komen. Ze wil dat ook niet weten. “Daar hebben wij als jury niets mee te maken.”

Wat is eigenlijk de taak van een jurylid? Moeten ze er als echte Europeanen voor zorgen dat de beste wint. Of moeten ze pal staan voor de Nederlandse zaak? Barber van de Pol en Anne Marie Musschoot zijn zich van hun moeilijke positie bewust. Ze zijn door de Nederlandse en Vlaamse ministeries als deskundigen naar voren geschoven, maar ze beseffen ook wel dat het thuisfront partijdigheid van hen verwacht. Ze worden geacht op te komen voor de Nederlandstalige schrijvers.

Gelukkig kunnen de twee Nederlandstalige juryleden beide verwachtingen redelijk verenigen. Anne Marie Musschoot bezweert me dat ze het boek van Eric de Kuyper dat door België is ingezonden werkelijk heel erg goed vindt. Hij heeft Europees niveau. Daar is geen Belgisch chauvinisme bij. “Ik heb het in de voorronde alleen maar gesteund, omdat ik er in geloofde, net als Au Pair van W.F. Hermans.” En Barber van de Pol is werkelijk diep onder de indruk van haar vertalende landgenoot Frans van Woerden. Zij voelt zich ook beslist geen Europeaan. “Ik ben ontzettend op zijn hand. Je kunt natuurlijk wel zeggen dat je niet chauvinistisch bent, maar dat is iedereen. Tijdens de juryvergaderingen zag je steeds een tinkeling in iemands ogen komen wanneer er ergens een nationaal succesje werd behaald.”

De beide juryleden zijn er van overtuigd dat hun kandidaten de volgende dag goede kansen hebben. Musschoot somt mat de zes genomineerde boeken op die op de shortlist staan en zegt dat er niet één boek bij is dat er duidelijk uit springt. Mario Luzi en Seamus Heaney zijn weliswaar grote namen, maar zo bijzonder is het nu ook weer niet wat ze doen. De vraag is natuurlijk of de zestien andere juryleden dat ook vinden. Van de Pol en Musschoot beseffen dat ze vanuit een grote achterstand te werk moeten gaan. De Franse, Engelse en Duitse boeken die meedingen kan bijna ieder jurylid lezen. Iedereen kan er iets aardigs over zeggen. Maar Nederlands leest vrijwel niemand. Voor de Nederlandse kandidaten komt het aan op de argumenten en op het gezag van de juryleden. Barber van de Pol: “Ik heb in ieder geval mijn huiswerk goed gedaan. Ik heb een uitvoerig rapport geschreven waarin ik inga op allerlei aspecten van de Nederlandse vertaling.” Ze spreekt met dédain over het Franse jurylid, "een grote luilak' die over een Frans boek alleen maar een heel kort stukje had ingeleverd vol ongeloofwaardige superlatieven. “Je moet natuurlijk nooit zeggen dat iets excellent is, je moet laten blijken dat je beseft hoe moeilijk vertalen is. Ik heb in de vergadering gezegd dat Van Woerden de Nederlandse Céline is. He is very Céline-like. Zoiets blijft hangen.”

Hoe denken de twee hun medejuryleden te overtuigen? Barber van de Pol gokt op de spontane manier. Ze heeft weinig ervaring met vergaderingen, ze weet dat ze altijd voor haar beurt praat, maar als niets meer lukt zal ze een emotioneel betoog houden waarin ze roept dat die Van Woerden echt heel erg goed is. “Ik denk dat ik ga schreeuwen.” Anne-Marie Musschoot wil het laten afhangen van het moment. Ze verwacht dat er zal worden gestemd volgens het Bookersysteem. Iedereen geeft alle kandidaten één tot zes punten, en dan wordt er opgeteld. Dat wordt dus afwachten.

“Céline zou nooit naar zoiets als dit gekomen zijn ,” zegt Frans van Woerden als ik hem kort voor de bekendmaking van de prijswinnaars in de Horseshoe-bar vertel dat Claude Simon onderweg is. “Of hij zou de bijeenkomst grondig verziekt hebben.” Van Woerden heeft zich net in het verplicht voorgeschreven avondkostuum gehesen ("als ik de prijs niet win, sta ik rood op de bank'). Hij ziet de prijs vooral als een grote poppenkast waar hij echter toch maar aan mee doet. Hij vertelt over een recente vertaling van Baudelaire waarbij hij zwaar op zijn reserves heeft ingeteerd en hij vindt het een goed idee dat er hoe dan ook geld naar vertalers gaat.

Applaus

Tijdens het banket is Claude Simon inderdaad een van de meest prominente gasten. Hij zit naast zijn vertalers en de voorzitter van de Irish Arts Council heet hem speciaal welkom. Gevleid laat de Nobelprijswinnaar het applaus over zich komen. De bekroning van zijn vertaling lijkt vast te staan.Maar het wordt Van Woerden.

's Avonds vind ik de beide juryleden van de vorige dag op dezelfde plaats terug, in de bar van het Jury's Hotel. “Het zat er gewoon niet in”, zegt Anne-Marie Musschoot over het verlies van Eric de Kuyper. Ze had eigenlijk ook niet verwacht dat hij zou winnen, maar ze vond dat ze de laatste moest zijn om dit toe te geven. “Met Luzi hebben we een monument bekroond, die uitdrukking is ook binnen de jury gevallen.” Bij de stemmingen blijken de drie grote talen er opvallend slecht te zijn afgekomen. De Griekse schrijver Thanasis Valtinos eindigde op de tweede plaats. De Ierse bard Seamus Heaney, die in de voorronde nog de meeste stemmen kreeg ("uit beleefdheid omdat Ierland dit jaar gastland was') werd slechts derde.

Hoe Frans van Woerden er binnen de vertaaljury is doorgesleept, hoor ik van Barber van de Pol. Om half drie 's middags, een uur voor de vergadering zou worden afgesloten, leek het volgens haar nog een uitgemaakte zaak te zijn dat het echtpaar Fletcher zou winnen met hun Claude Simon-vertaling. Iedereen had deze vertaling gelezen en men was er zeer over te spreken. Van de Pol besloot daarop in een laatste wanhoopsactie de aanval op de Fletchers te openen. Geen lof meer voor Van Woerden, hoon voor de tegenpartij. “Ik was zo kwaad. De Britten hadden zo'n grote voorsprong. Het was niet eerlijk. Tijdens de lunch had ik al gemerkt dat meer mensen zich aan dit overwicht begonnen te ergeren.” Van de Pol somde op wat er allemaal niet goed was aan de Engelse Simon-vertaling, er zaten slordigheden in, de interpunctie deugde niet, en dat hielp. “Plotseling sloeg de stemming om. Ik dacht nog even, nu is het bekeken. Ik lig eruit.” Maar nee. De boeken kwamen weer op tafel. Zin voor zin werd er gekeken wat er niet goed was bij de Engelsen. Van Woerden hoefde alleen nog maar te oogsten.

Barber van de Pol: “Het is een totaal oneerlijk systeem, dus het is ècht een wonder dat Frans van Woerden de prijs heeft gekregen.”