De koning van Zembla; Vladimir Nabokov in Amerika en Montreux

Brian Boyd: Vladimir Nabokov. The American Years. Uitg. Princeton, 783 blz. Prijs ƒ 66,50

Op een dag, ergens in de jaren veertig, stapte Vladimir Nabokov de collegezaal van Wellesley College binnen. Op zijn lessenaar stond een gele vaas met blauwe bloemen. Hij liep naar het schoolbord en schreef "yellow blue vase'. Dit klinkt bijna als "ja ljoebljoe vas', het Russische "ik hou van jou", zei hij tegen zijn studenten. “Dat is waarschijnlijk de belangrijkste zin die ik jullie zal leren”. Typisch Nabokov: oog voor detail, een woordgrap, een directe associatie en een "strong opinion' in één.

Het voorvalletje is niet meer dan een alinea in een meer dan omvangrijk boekwerk. Deel twee van Brian Boyds biografie bestrijkt Nabokovs Amerikaanse en Montreuse jaren, van 1940 tot aan zijn dood in 1977. Na het succes van deel een, The Russian Years, dat twee jaar geleden verscheen, heeft Boyd zijn werk nu afgemaakt. De lezer kan gerust zijn: geen dag uit het leven van Nabokov is onbeschreven gebleven. Voor de echte freaks is dat een zegen, voor de gewone Nabokov-bewonderaar af en toe wel wat vermoeiend. Het lijkt of Boyd geen van de ontelbare ooit door Nabokov gevangen vlinders, van de vele ooit door hem bewoonde motels en professorenhuizen of van de ooit door hem ontvangen gasten heeft gemist. Het zal mij eerlijk gezegd een zorg zijn dat Nabokov op 9 juli 1941 ("a bright cold morning after snow and rain'), wandelend met ene Dorothy Leuthold, een onbekende "midsized brown butterfly' ving, die hij Neonympha Dorothea noemde. Maar Boyd heeft het genoteerd en het is vastgelegd voor de eeuwigheid.

Afgezien van deze storende drang naar compleetheid heeft Boyd heel wat materiaal aan de familie weten te onttrekken. Als biograaf van een schrijver die zijn privéleven angstvallig van de buitenwereld afschermde, heeft hij het niet makkelijk gehad. “I hate tampering with the precious lives of great writers and I hate Tom-peeping over the fence of those lives - (-) - and no biographer will ever catch a glimpse of my private live”, bezwoer Nabokov in een van zijn Lectures on Russian Literature. Voor Boyd zijn Nabokovs ruzies met zijn eerste biograaf, Andrew Field, die hij in The American Years overigens genadeloos neersabelt, een wijze les geweest. Dat Nabokov al dood was toen Boyd aan de biografie begon, heeft zijn werk waarschijnlijk aanzienlijk vergemakkelijkt. Het is hem gelukt het vertrouwen van Nabokovs vrouw Vera en zoon Dmitri te winnen, en die kunnen over het resultaat tevreden zijn.

Roem

De Amerikaanse jaren waren voor Nabokov de jaren van de geleidelijke erkenning en de Montreuse jaren die van het hoogtepunt van zijn roem. Anders dan Nabokov zelf altijd heeft doen geloven - hij vond zichzelf een slecht spreker en schreef zijn colleges van tevoren helemaal uit - blijkt uit Boyds boek overduidelijk dat hij een inspirerende literatuurdocent was. Hij had maar één doel: zijn studenten kneden tot "major readers of major writers' en hij drukte ze daarom met hun neus voortdurend op de kleinste details in een literaire tekst. Hij dwong ze schijnbaar onbetekenende details uit literaire meesterwerken te reproduceren (Hoe zag het behang in de kamer van Anna Karenin eruit, beschrijf Emma Bovary's ogen, handen, haar, jurk, schoenen). Om Ulysses te verklaren tekende hij een kaart van Dublin op het bord en schetste tot in de kleinste details de routes van Stephen en Bloom. Hij tekende het insekt waarin Kafka's Gregor Samsa veranderde en wees er nadrukkelijk op dat het hier geen kakkerlak, maar een kever betrof. In zijn inleiding tot Die Verwandlung zei hij: “Beauty plus pity - that is the closest we can get to a definition of art. Where there is beauty there is pity for the simple reason that beauty must die (-)”.

Zo leerde hij zijn studenten lezen en als hij echt gegrepen raakte las hij zelf met groot gevoel voor drama hele pagina's hardop aan hen voor. Compleet met veelbetekenende stiltes, op te vatten als: snappen jullie het nou, hier gaat het om! De studenten hingen aan zijn lippen, al bracht hij ze in verwarring door vermaardheden als Dostojevski, Freud en Thomas Mann zonder veel uitleg als tweederangsschrijvers van tafel te vegen. Hij kon daarin heel kinderachtig zijn. Boyd vertelt hoe een student tijdens college opstond en spreektijd eiste om zijn geliefde Dostojevski te verdedigen, aangezien Nabokov niet van plan was zijn kostbare tijd aan die kladschrijver te besteden. In plaats van zich te verheugen over een student met een mening, ontstak Nabokov in razernij en maakte sindsdien in zijn aantekeningen alleen nog gewag van de jongen als van die "idioot". Hij gaf hem een onvoldoende.

Boyd heeft eigenlijk maar één punt van kritiek op Nabokovs docentschap. Hij maakte zijn studenten wel op meeslepende wijze attent op de techniek van het schrijven, maar besteedde nauwelijks of geen aandacht aan de vraag waarom een schrijver voor een bepaalde passage, compositie of formulering koos.

Boyd wijst hierop omdat hij dat in zijn bespreking van Nabokovs werk zelf wel probeert te doen. Hij analyseert de romans en verhalen en beschrijft de literaire rellen rond Lolita en Eugene Onegin en schuwt daarbij de superlatieven niet. Zo zegt hij over Pale Fire: “In sheer beauty of form, Pale Fire may well be the most perfect novel ever written”. De polemiek over Nabokovs vertaling van Jevgeni Onegin noemt hij “the fiercest transatlantic literary feud of the mid1960s.”

Die polemiek maakte een einde aan de jarenlange literaire vriendschap tussen Nabokov en Edmund Wilson, die Nabokovs zeer letterlijke vertaling van Jevgeni Onegin de grond in boorde als geschreven in "a bald and awkward language which has nothing in common with Pushkin'.

Allergisch

Nabokov reageerde gekwetst: hoe kan een goede vriend van de ene dag op de andere veranderen in "an envious ass'? Hoewel Boyd wel kritiek heeft op Nabokovs drang naar absoluut kale letterlijkheid en zijn tot in het absurde doorgevoerde notenapparaat bij Poesjkin, blijft hij Nabokov door dik en dun verdedigen tegen Wilson, die met het klimmen der jaren steeds allergischer werd voor Nabokovs behoefte om de lezer voortdurend op het verkeerde been te zetten. Nabokov deed dat uit de volle overtuiging dat de werkelijkheid niet bestaat en dat een goede schrijver een tovenaar moet zijn. “You can get nearer and nearer, so to speak, to reality; but you never get near enough because reality is an infinite succession of steps, levels of perception, false bottoms, and hence unquenchable, unattainable”, zei hij in een interview. Veel mensen, zo ook Wilson, raken geïrriteerd door de gekunsteldheid waarin Nabokov uitblinkt.

Boyds analyse van Nabokovs romans is soms verhelderend. Een ingewikkeld boek als Pale Fire kan wel een toelichting gebruiken. Boyd schetst de booby-trap-wereld van John Shade, schrijver van het dichtwerk Pale Fire, de literaire rat Kinbote, alias koning van het fictieve Zembla, de gefrustreerde emigrant Vseslav Botkin, treurend over zijn verloren Russisch paradijs, en de huurmoordenaar Jakob Gradus (alias Jack Grey), lid van de Zemblaanse terroristengroep The Shadows, die per abuis Shade vermoordt en zo de opgeblazen Kinbote de kans geeft zich de literaire erfenis van de meesterdichter toe te eigenen. Boyd beschrijft Pale Fire als één levensgroot paranoïde trompe-l'oeuil, waarin tot slot niet meer duidelijk is wie van de schimmige personen aan wiens mistig brein is ontsproten. Dat Boyd tot slot alle romanfiguren weer laat samensmelten tot Nabokov lijkt me een al te geforceerde Nabokoviaanse truc, maar zijn enthousiasme voor de roman werkt aanstekelijk: “Pale Fire is a dazzling technical tour de force, a comic delight, an imaginative treat, a study of life and death, sanity and madness, hope and despair, love and loneliness, privacy and sharing, kindness and selfishness, creativity and parasitism, and above all a thrilling ride of discovery”. Vera en Dmitri kunnen tevreden zijn.

Bochten

Af en toe gaat het onderwerp met Boyd op de loop en zijn redeneringen overtuigen dan ook niet altijd. Soms is het zoeken naar overeenkomsten en tegenstellingen zeer geforceerd. Zo wringt Boyd zich om onduidelijke redenen in allerlei bochten om professor Pnin en Lolita's Humbert Humbert met elkaar te contrasteren als de nobele, naïeve onbegrepen ziel tegenover de doortrapte, recht op zijn doel afstevenende schurk. Nou en? vraagt de lezer zich af.

Boyd kreeg van Vera Nabokov onder meer het werk-dagboekje van de schrijver te zien. Van zulke receptenboeken gaat altijd een grote bekoring uit: hoe rijpt een roman, welke details uit het dagelijks leven vond Nabokov de moeite van het noteren waard en wat vind je daarvan terug in zijn boeken? Prachtig is bijvoorbeeld de korte opzet voor een verhaal, getiteld "Three Tenses', dat helaas nooit is geschreven. Het is te lang om te citeren, maar de plaats van handeling (een dineetje met een aantal toevallige mensen die natuurlijk niet zo toevallig blijken te zijn) en de vreemde verhoudingen tussen de gasten (jonge man Y. met ex-minnares, huidige minnares en toekomstige minnares, de grote afwezige die niet komt opdagen) doet watertanden. Een voorproefje van wat nooit is geboren: “The wonderful tingle of knowing that presently he will take her to his room across the street (light burns in window, has not put it out). Girl who was to be sixth (aan het diner - LS) calls on host for a minute (brother in law died), does not enter, Y. hears her voice. She will be his next and greatest love.”

Boyds bewondering voor Nabokov wordt wel eens een beetje irritant. Nabokovs jaloezie op het succes van Pasternaks Dokter Zjivago (door hem consequent Dokter Mertvago genoemd: Zjivago betekent "levend', Mertvago betekent "dood'), zijn denigrerende opmerkingen over vrouwelijke schrijvers ("I am prejudiced, in fact, against all women writers'), zijn dédain voor zijn homoseksuele broer Sergej, voor wie hij pas bewondering opvat als het te laat is en Sergej is omgekomen in een Duits concentratiekamp, zijn vernietigende kritiek op Walter Arndts concurrerende vertaling van Jevgeni Onegin, het wordt door Boyd allemaal met de mantel der liefde bedekt. Dat is kennelijk de prijs die we moeten betalen voor toegang tot het leven van een schrijver die die toegang ten strengste verboden had.