Beeren: goede restauratie

Twijfel is er vanaf het eerste moment dat het schilderij op 14 augustus van dit jaar in gerestaureerde vorm terug is.

Terwijl de New-Yorkse restaurateur Daniel Goldreyer verklaart dat zijn werk aan Barnett Newmans Who's Afraid of Red Yellow and Blue III “de moeilijkste restauratie is die ik ooit heb uitgevoerd”, en terwijl directeur Wim Beeren van het Stedelijk Museum intense tevredenheid betoont met het werk van Goldreyer, is er meteen prof.dr. Ernst van de Wetering, lid van het Rembrandt Research Project, die scherpe vragen stelt over de door Goldreyer gehanteerde methodiek.

“Onmogelijk” noemt Van de Wetering het, “dat een schilderij dat zoveel drama heeft ondergaan er zo gaaf uit ziet”. De hoogleraar spreekt het vermoeden uit dat Goldreyer, wiens restauratie ruim vier jaar en ruim acht ton vergde, het in 1986 aan flarden gesneden doek bij wijze van "face-lift' geheel heeft overgeschilderd, in plaats van zich te beperken tot de beschadigde delen. Goldreyer ontkent onmiddellijk en beroept zich op zijn 47-jarige ervaring. “Wat weet die professor van Barnett Newman?”

Van de Wetering komt met zijn stelling omdat hij, anders dan de bezoekers van het Stedelijk, het herstelde werk van dichter dan drie meter heeft mogen aanschouwen. Hij ziet “een patroon van kleine bobbeltjes” en vermoedt dat de verfroller - een hulpmiddel van de huisschilder - is gehanteerd.

Pag 3:

Keur van negatieve reacties

Een keur aan afwijzende reacties is het gevolg. Directeur Beeren van het Stedelijk meent, als lid van een gemeentelijke begeleidingscommissie, dat de restauratie “goed en bevredigend” is verlopen, dat “de betekenis en in hoge mate de kracht van het werk zijn herkregen”. En Rudi Fuchs, directeur van het Haags Gemeentemuseum, stelt dat Van de Wetering “er naast zit”. Hij schrijft: “Het door de restauratie vernieuwde schilderij is nog steeds van de meester.”

Niettemin blijven er dissonanten. Elisabeth Bracht, restauratrice van het Stedelijk en lid van dezelfde commissie als Beeren, distantieert zich van haar directeur: “De penseelstructuur is verdwenen, evenals de verschillende schakeringen rood.” Ook zij meent dat er sprake is van overschildering, hetgeen ze al in maart van dit jaar aan Beeren zou hebben gemeld. De directeur weerspreekt dit in oktober niet, stelt dat hij “deels waarneemt wat mevrouw Bracht waarneemt”, maar zegt tegelijk dat er “een wezenlijk onderscheid is in onze opvatting van deze restauratie”. Voor Beeren telt vooral dat het Newman te doen was om de impact van zijn werk, minder om de plastische kwaliteit ervan.

IJsbrand van Hummelen, restaurateur, neemt stelling door in deze krant te schrijven van een “lompe en valse imitatie” van Newmans werk, van “een mat levenloos oppervlak, een paradox van zichzelf”. Hij vindt dat Beeren en Fuchs openlijk afstand zouden moeten doen van de restauratie. Want “zolang zij dergelijke praktijken legitimeren”, worden werken in zijn ogen “op basis van een zeer tijdelijk en zwak smaakoordeel vernietigt”. “Terwijl een museum daarentegen werken behoort te ontsluiten en bewaren.”

Beeren blijft bij zijn oorspronkelijke oordeel als hij andermaal op de stroom van kritiek reageert. Hij schrijft dat het Stedelijk “een werk heeft teruggekregen dat volgens het concept van het oorspronkelijke kunstwerk en met behoud van een aantal wezenlijke elementen op zijn oorspronkelijke doek de spanning laat zien tussen drie kleuren (...) en dat weer bij machte is dat beeld in de geest van de beschouwer te projecteren”.

Enige dagen tevoren heeft Goldreyer zelf tegenover deze krant verklaard dat hij bij de reatauratie inderdaad een verfroller heeft gebruikt, “zoals Newman dat zelf ook had gedaan”. Niettemin ontkent hij opnieuw dat er een overschildering zou hebben plaatsgevonden. En: “Ik heb het schilderij overigens pas gevernist nadat Wim Beeren in maart zijn tevredenheid over de reatauratie had uitgesproken.”

In november schakelt het ministerie van justitie het Gerechtelijk laboratorium in Rijswijk in voor een onderzoek.