Algerijns wonder: buitenland mag olie exploiteren

AMSTERDAM, 6 DEC. De Algerijnse premier Ahmed Sid Ghozali, die in een maandenlange slijtageslag tegen zijn talloze binnenlandse vijanden zeer veel van zijn geloofwaardigheid had verloren, heeft dezer dagen een wonder bewerkstelligd. Hij overreedde het parlement, waarin zijn tegenstanders in de meerderheid zijn, om met grote meerderheid (174 voor, 27 tegen en 22 onthoudingen) een wet aan te nemen die buitenlandse ondernemingen het recht geeft niet alleen naar olie, gas en mineralen (ijzer, goud, zink en fosfaten) in Algerije te zoeken, maar deze natuurlijke rijkdommen ook te exploiteren.

Daarmee is een eind gekomen aan een traditionele, fel nationalistische politiek die er sinds 20 jaar op gericht was de olie- en gasproduktie exclusief in Algerijnse handen te brengen. Die politiek bracht Algerije steeds verder achterop. Want precies zoals in de voormalige Sovjet-Unie, ontbreken in Algerije de investeringen en de technische voorzieningen om de diepere lagen te exploiteren. Meer dan driekwart van de olie in de putten wordt daardoor niet aangeboord. Als gevolg daarvan is de staatsoliemaatschappij Sonatrach niet langer in staat om zelfs maar het door de OPEC voor Algerije vastgestelde olie-quotum te halen. Zo heeft Sonatrach sinds 1980 slechts 20 putten per jaar aangeboord, terwijl men - aldus minister van oliezaken Noureddine Aït-Laoussine - met de exploitatie van 100 putten de oliereserves van Algerije op peil zou kunnen houden.

Als enige concessie aan het nog steeds zeer virulente Algerijnse nationalisme bepaalt Ghozali's nieuwe wet dat buitenlandse maatschappijen slechts voor 49 procent kunnen deelnemen aan de werkzaamheden van Sonatrach. Niettemin blijft de wet zeer omstreden. Ghozali's voorganger en doodsvijand, ex-premier Mouloud Hamrouche, heeft reeds aangekondigd dat het nieuwe parlement, dat na de verkiezingen van eind deze en medio volgende maand zal aantreden, de wet weer zal afschaffen. Ook het radicale Front voor Islamitische Redding (FIS), veel aanhangers van de vroegere eenheidspartij FLN en de communisten zien de wet als een uitverkoop van de nationale rijkdommen.

De wet gaat namelijk in tegen de diepste nationale overtuigingen van de Algerijnen, die - uit angst voor buitenlandse (lees: Franse) bemoeienissen - op 24 februari 1971 alle buitenlandse (dat wil zeggen Franse) belangen in de olie- en gassector nationaliseerden. In die dagen stond Ghozali aan het hoofd van de Sonatrach en verdedigde hij de nationalisatie als “een beslissende etappe op de weg naar economische emancipatie”.

Dezelfde Ghozali formuleerde een half jaar geleden een tegenovergestelde politiek, toen hij premier werd van een overgangsregering die de eerste vrije verkiezingen in de Algerijnse geschiedenis moest organiseren. Ghozali had geen andere keus; hij moest wel één van de heiligste huisjes van Algerije afbreken. Want de economie is de afgelopen jaren in zo'n vrije val - richting algeheel faillissement - beland, dat de overheid welke maatregelen dan ook moest nemen om aan extra inkomsten te komen.

Het land moet elk jaar acht miljard dollar betalen - dat wil zeggen driekwart van zijn inkomsten in buitenlandse deviezen - om zijn buitenlandse schulden te bekostigen, die volgens de regering 23,8 miljard dollar, maar volgens ingewijden tussen de 25 en 27 miljard dollar bedragen.

Daarnaast zijn er nog andere zeer dringende uitgaven. Zo kost alleen al de import van de noodzakelijke levensmiddelen ettelijke miljarden per jaar. De Algerijnse industrie werkt vrijwel geheel verliesgevend. De investeringen voor die industrie zijn minder dan 25 procent van hetgeen zij tien jaar geleden waren, terwijl er nu zeker al twee miljoen werklozen (op een bevolking van 25 miljoen) rondlopen voor wie geen enkele toekomst is. De overheid had dan ook op korte en op middellange termijn nog maar één uitweg om de economische crisis te bestrijden, die Algerije regelrecht naar een burgeroorlog dreigt te voeren: een verdere liberalisering van de olie- en gasindustrie.

De nieuwe wet is in feite een aanvulling op een liberaliseringswet van twee jaar geleden. De oude wet stond echter buitenlandse ondernemingen alleen maar toe om met Sonatrach contracten af te sluiten over “deelname in de produktie” van olievelden die reeds door Algerije geëxploiteerd werden, als men eerst de exploratie ter hand nam.

Bovendien gelden de nieuwe wetsbepalingen ook de (veel gemakkelijker bereikbare) gasvelden, die tot nu uitsluitend door Sonatrach geëxploiteerd mochten worden. De oude wet daarentegen sloot een buitenlandse maatschappij die vergunning had gekregen om naar olie te zoeken, van elke exploitatie uit als zij naast olie tevens op gas stuitte.

De regering verwacht op grond van de nu af te sluiten contracten met buitenlandse oliemaatschappijen op korte termijn vier miljard dollar extra inkomsten te krijgen en binnen een periode van tien jaar 14 miljard dollar. Want de Algerijnse olie-produktie, die thans 800.000 vaten per dag bedraagt, zal binnen korte tijd, zo verwachten deskundigen, dankzij de investeringen van de buitenlandse ondernemingen met enkele honderdduizenden vaten toenemen.