WRR: schrap subsidie voor schooldiensten

DEN HAAG, 5 DEC. De subsidie van de rijksoverheid aan de schoolbegeleidingsdiensten (80 miljoen) moet worden ingetrokken. Het geld moet rechtstreeks aan de scholen worden uitgekeerd, evenals zo'n zestig tot zeventig procent van de subsidie voor de drie landelijke pedagogische centra.

Dat stelt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in een nog vertrouwelijk advies over de Wet op de Onderwijsverzorging. De Raad wil dat de scholen voor basis- voortgezet en beroepsonderwijs op die manier zeggenschap krijgen over de vernieuwing van hun onderwijs.

Het Werkverband van schoolbegeleidingsdiensten vreest dat door het voorstel van de WRR “de centrale kwaliteitswaarborg door de overheid om zeep wordt geholpen” aldus een woordvoerder. “We gaan terug naar de jaren zestig toen je een grote ongelijkheid in de kwaliteit van scholen had.”

De Wet op de Onderwijsverzorging regelt de positie van instellingen die voor scholen onder meer lesprogramma's, toetsen en levenbeschouwelijke lesmethoden ontwikkelen. Naast de drie pedagogische centra en de schoolbegeleidingsdiensten gaat het om het CITO, de Stichting Leerplan Ontwikkeling en de Stichting voor Onderzoek naar het Onderwijs. In totaal krijgen deze jaarlijks ongeveer 200 miljoen van het rijk.

De wet is controversieel omdat ze scholen dwingt bij een van deze instellingen aan te kloppen voor verbetering van hun onderwijs. De instellingen krijgen hun subsidie, ongeacht de vraag. Het aflopen van de wet in 1995 en het controversiële karakter ervan vormden voor staatssecretaris Wallage aanleiding om de WRR om advies te vragen.

De WRR stelt twee oplossingen voor. In het ene alternatief, dat de voorkeur van de Raad geniet, komt er na 1995 geen nieuwe wet meer. De scholen kunnen het geld voor onderwijsverzorging en -vernieuwing bundelen met dat voor nascholing. Ze krijgen op den duur de vrijheid te beslissen of ze dit bij de huidige pedagogische centra en schoolbegeleidingsdiensten willen besteden dan wel bij commerciële instellingen. Overigens zullen de scholen als overgangsregeling de eerste jaren nog steeds verplicht zijn hun geld bij de traditionele instellingen uit te geven.

Verder zullen de pedagogische centra op den duur de belangrijkste taken van de stichting voor leerplanontwikkeling overnemen waardoor de verzorgingstructuur minder versnipperd wordt. Het CITO en SVO houden hun subsidie vanwege hun “schooloverstijgende taken”.

In het andere alternatief blijft de wet bestaan maar wordt het beroepsonderwijs er buiten geplaatst. Tevens mogen de hogescholen meer aan nascholing en onderwijsverzorging gaan doen. Daardoor kunnen ze zich in de richting van educatieve faculteiten ontwikkelen, zoals Wallage wil.