Spektakel bij begin International Documentary Filmfestival: Jongetjes als wijze helden

AMSTERDAM, 5 DECEMBER. Voor de openingsavond van het vierde International Documentary Filmfestival Amsterdam was de keuze beperkt tot films die op het grote doek van Bellevue Cinerama goed tot hun recht komen. Veel documentaires worden immers op 16mm gedraaid, hetgeen voor vertoning in een van de zalen van het Alfa-complex geen probleem hoeft te vormen, maar te iel wordt in een echt grote bioscoop. Video is vooralsnog uitgesloten van deelneming aan de competitie om de Joris Ivens Award, maar in de toekomst zal ook het Amsterdamse festival niet heen kunnen om de toenemende neiging documentaires op video op te nemen of af te werken.

De beide voor de opening uitverkoren films boden spektakel van groot formaat. Ze herinnerden door hun panorama's van vreemde culturen zelfs een beetje aan het oude Cineac-gevoel. In Javna: Renskötare ar 2000 geeft de Zweedse cineast Stefan Jarl opnieuw blijk van zijn sympathie voor het Lapse volk en de bedreiging van hun oude herderscultuur door de gevolgen van de Tsjernobyl-ramp voor het milieu. Imposante beelden van het bijeendrijven van de rendieren worden afgewisseld door een interview met de twaalfjarige herder Javna, die zich bij een bezoekje aan de grote stad doodverveelde, maar alles weet van het brandmerken en villen van rendieren. De even wijze als ontwapenende jongen kan zich niet voorstellen ooit een ander beroep te zullen uitoefenen, maar zwijgt lang en veelbetekenend als de interviewer hem voorrekent dat pas over dertig jaar de hoeveelheid caesium in de Lapse bodem met de helft verminderd zal zijn. Javna is een mooie, wat retorische film die optimaal profiteert van de voordelen van het grote scherm.

Ook in de Franse film Djembéfola van Laurent Chevallier maken we kennis met een jongetje dat al blijk geeft van grote vaardigheid in een ambacht dat de westerse kijker met bewondering vervult: het bespelen van de djembé, een soort Afrikaanse trommel. De documentaire beschrijft de terugkeer van een in Brussel wonende virtuoos naar zijn geboortedorp in Guinee, waar de achtergebleven familieleden in duidelijke bewoordingen te kennen geven zijn vertrek als verraad te beschouwen. Er wordt gehuild, ritmisch en muzikaal gescholden en extatisch gedanst. Of sommige scènes spontaan voortkomen uit theatrale aspecten van deze cultuur of toch geënsceneerd (en Frans gesproken) werden voor de camera, is een vraag die in de lucht blijft hangen, evenals de aangestipte voormalige revolutionaire bevlogenheid van de hoofdpersoon, toen deze nog deel uitmaakte van het als visitekaartje van de marxistische president Seke Touré functionerende nationale folkloreballet van Guinee.

Onwillekeurig denk je daarbij aan de even spectaculaire zang en dans in de zondag met een Felix voor de beste Europese documentaire onderscheiden Poolse film Hear My Cry (Uslyszcie mój krzyk) van Maciej Janusz Drygas. Op 8 september 1968 stak Ryszard Siwiec in het stadion van Warschau, tijdens een door honderdduizend mensen bekeken en door nog meer mensen via radio en televisie gevolgd oogstfestival, zichzelf in brand, uit protest tegen de inval in Praag en het aan die daad ten grondslag liggende totalitarisme. Sommige dansers keken even om, maar de verslaggevers besloten er geen aandacht aan te besteden. De bewakers kregen een paar dagen later een douceurtje van de geheime politie, op voorwaarde dat ze het incident vergeten zouden. Drygas vond een stukje film van zeven seconden, waarin Siwiec brandt als een fakkel. Aangevuld met interviews vormt de film een reconstructie en een overwinning van de herinnering op het slechte geheugen van de geschiedenis. Alleen om die reden zou Hear My Cry een belangrijke en emotionerende film zijn. Het is bovendien cinema met grote verbeeldingskracht, waarbij je vanaf de eerste tot de laatste scène ademloos blijft kijken, en daardoor dus bij voorbaat een van de belangrijkste kandidaten voor de hoofdprijs van het Amsterdamse festival.