Nog nooit kreeg extremisme zoveel aandacht van media

WASHINGTON, 5 DEC. De kaken van de prominente Washingtonse experts klapten gisteren open van verbazing toen de Arabische expert Abukhalil via de televisiesatelliet tegenwierp dat de daders misschien wel voordeel hadden gehad bij de gijzelingen in Libanon. Was de vrijlating van de laatste Amerikaanse gijzelaar, Terry Anderson, niet het ultieme happy end van een benauwd avontuur, door heel televisiekijkend Amerika gevolgd?

Alle drie de Washingtonse experts, Karin Elliot House van Dow Jones, voormalig onderminister voor Midden-Oosten-zaken Nicholas Veliotes en voormalig veiligheidsadviseur in het Witte Huis, David Aaron, zeiden dat de laatste vrijlating bewees dat gijzelingen nooit enig voordeel konden opleveren. Uiteindelijk hebben de Goeden gewonnen door volharding. Natuurlijk, er was één prominente uitzondering: het Iran-contra-schandaal, dat zich indertijd achter de rug van Veliotes om voltrok. Maar dat was slechts een kleine smet in het Amerikaanse buitenlandse beleid, dat verder alleen hoge principes zou volgen. Enigszins nagniffelend vroeg de televisiegastheer aan Abukhalil of hij zich dan toch nader kon verklaren over dat voordeel voor de ontvoerders.

Een feit is zeker. Nog nooit heeft een buitenlandse extremistische beweging zoveel en zulke minitieuze aandacht gehad van de Amerikaanse media als Hezbollah de afgelopen zes jaar. Met die aandacht heeft Hezbollah zich prestige verworven, niet alleen in Amerika maar ook bij sponsor Iran en bij Syrië, die een gijzelingcrisis weer voor hun eigen politieke doeleinden uitbuiten. De wederzijdse verschuldigdheid levert winst op.

Open samenlevingen als de Amerikaanse zijn kwetsbaar voor gijzelingen. Dat bleek al toen 60 Amerikaanse diplomaten in 1979 geblinddoekt door de straten van Teheran werden geparadeerd. Het droeg bij aan de val van president Carter. De meest prominente televisienieuwslezer, Walter Cronkite, besloot toen om een dagtelling te beginnen voor de gijzelingen. Elk journaal werd afgesloten met: “Dit is de zoveelste dag van gevangenschap voor Amerikaanse gijzelaars in Teheran”. Dat trok pas de aandacht. Verder waren er bijna dagelijks beelden van bebaarde mannen die op verzoek van Amerikaanse cameralieden ter plekke vuistschuddend anti-Amerikaanse leuzen wilden schreeuwen richting bezette ambassade. Carter besloot in het Witte Huis te blijven, zolang zijn diplomaten waren gegijzeld. Hij blunderde bij een militaire bevrijdingspoging. En zijn typische grijns verdween.

De meeste Amerikaanse gijzelaars in Libanon waren geen diplomaten maar hoogleraren, een dichter-boekverkoper, een CIA-chef en een persbureaujournalist. Deze ontvoeringen waren een minder duidelijk affront dan de plotselinge bezetting van een ambassade. Toch brachten ze door het Iran-contras-schandaal het presidentschap van Ronald Reagan aan het wankelen. De 235 Amerikaanse mariniers die door een bomaanslag in Beiroet het leven lieten, betekenden nauwelijks politiek gevaar voor Reagan. Voor de media is een dergelijk verhaal gauw afgelopen. Het puin, kisten met de Amerikaanse vlag erover gedrapeerd, treurende familieleden, begrafenis, klaar. Maar het gijzelingsverhaal duurt zo lang als de ontvoerders willen. Het is zo geknipt voor televisie als Peyton Place. Het gaat om personen, hun familieleden en emoties, waar iedere Amerikaan zich mee kan identificeren. De laatste gijzelaars kregen veel meer aandacht dan de tienduizenden die jaarlijks op Amerikaanse straten door vuurwapens sneuvelen. Die verwekken schouderophalen. Ze horen, anders dan de gijzelaars, bij het dagelijks leven.

In stille perioden komt er uit Libanon een videobandje, waar de gijzelaar een verklaring van op voorleest. Dat wordt dan over de hele wereld uitgezonden. Televisiecommentatoren analyseren met de hulp van medische deskundigen hoe de gijzelaar eruit ziet, gezond, zwak, met littekens of niet. Dan worden ook de familieleden van het internationale slachtoffer aan het woord gelaten. Tranen, slikken, stokkende verklaringen, kortom prachtige Amerikaanse televisie.

In komkommertijd zijn de familieleden van gijzelaars ook zonder bericht uit Libanon goed voor een verhaal. Hoe zouden de Cicippio's, de Andersons, de Sutherlands Kerstmis, Pasen of Pinksteren vieren zonder hun loved one in huis? Het grenst bijna aan sadisme, want de familieleden voelen zich verplicht mee te werken. Hun loved one mag niet door het publiek worden vergeten en door dat publieke onthouden wordt hij ook des te waardevoller voor de ontvoerders. De broer van gijzelaar Joseph Cicippio had zelfs zijn hele voortuin vol witte borden gezet met de namen van de gijzelaars en hun dagen in gevangenschap en later hun datum van bevrijding. De zus van Anderson, Peggy Say, reisde onvermoeibaar de wereld af om zijn vrijlating te verkrijgen. Voor radio, televisie en kranten klaagde ze de passiviteit van de Amerikaanse overheid aan.

De vrijlatingen zijn pure televisie, telkens weer. Ze vormen de ontknoping van het drama. Elke gewezen gijzelaar reageert weer anders. De een heeft een coherent verhaal, de ander kan niet uit zijn woorden komen, een derde stikt in zijn tranen. Het is onder druk van dergelijk televisiedrama dat Congresleden zich geroepen voelen om de getroffen kiezers in hun district te helpen en dat Reagans adviseur Oliver North tevergeefs probeerde om een meesterakkoord met de duivel te sluiten. President Bush, in die tijd vice-president, heeft daarvan geleerd. Hij zei zo min mogelijk over de gijzelaars. Maar als de tijd rijp is, gebeurt er toch een aantal dingen tegelijk, tussen Israel, Libanon, Iran, Syrië en de VS.

“Zouden er zich weer gijzelingen kunnen voordoen”, vraagt de televisiegastheer aan de eerwaarde panelleden. Nee, is de unanieme reactie, want president Bush heeft door zijn overwinning op Irak duidelijk gemaakt dat internationale avonturen worden bestraft. Weer moet Abukhalil vanuit zijn plek in het Midden-Oosten met het gezelschap van mening verschillen. Ja, er zijn prinsen, vorsten en regeringsleiders, die nu samenkomen. Maar er blijven nog heel wat boze mensen over in het Midden-Oosten.

Het verborgen verwijt luidt dat de Walen zich niet - zoals de Vlamingen! - verlagen tot 'eng-nationalisme', maar willen bouwen aan een betere samenleving. Philippe Destatte, directeur van het Institut Jules Destrée, noemt een aantal “waarden”, die volgens hem typerend zijn voor Wallonië: een onafhankelijke, kritische geest (“Eerder dan in andere landen gingen Walen bij het begin van de Tweede Wereldoorlog in het verzet”), een democratische gezindheid, afwijzing van vreemdelingenhaat en handhaving van sociale verworvenheden. Destatte erkent dat die waarden ook in andere landen worden nageleefd. “Het gaat dus niet om een exclusieve identiteit. Niet alleen Walen hechten aan de democratie, maar we willen in ieder geval dat de Walen er aan hechten”, onderstreept hij het voluntaristische karakter van de Waalse beweging.