Indonesië wil grootste papierproducent worden; Pulp uit het regenwoud

Enkele van de rijkste regenwouden op aarde worden opgeofferd aan de Indonesische ambitie om 's werelds grootste papier- en pulpproducent te worden. Dat schrijft de internationale milieubeweging Down to Earth in het onlangs verschenen rapport Pulping the rainforest.

Volgens de in Londen gevestigde milieubeweging is Indonesië begonnen aan een grootscheeps ontwikkelingsprogramma van de eigen papier- en pulpindustrie. Soortenrijk primair regenwoud wordt kaalgekapt en verpulpt om plaats te maken voor monocultures van snelgroeiend zachthout, voornamelijk Acacia en Eucalyptus.

Tot 1987 moest Indonesië nog papier importeren, sindsdien is de binnenlandse produktie mede dankzij een genereus stelsel van belastingvrijdom en investeringssubsidies verviervoudigd. Op dit moment wordt volgens de Indonesische Associatie van Producenten van Pulp en Papier 18 procent van de produktie geëxporteerd, in het jaar 2000 zal dat 24 procent zijn.

Er draaien nu 41 pulp- en papierfabrieken die tezamen 1 miljoen ton pulp en 1,7 miljoen ton papier per jaar kunnen maken. Intussen heeft de Indonesische regering plannen ontvouwd voor de bouw van nog eens 56 fabrieken, waarvan de eerste tien in 1995 operationeel moeten zijn. Rond de eeuwwisseling wil het land jaarlijks 5 miljoen ton papier en 7,6 miljoen ton pulp produceren. Buitenlandse investeerders worden daarbij van harte aangemoedigd. Eisen aan afvalwaterzuivering zijn soepel en het officiële minimumloon bedraagt nog geen dollar per dag.

Indrukwekkende plannen

Waar al dat hout vandaan moet komen laat zich raden. Er bestaan indrukwekkende plannen voor de aanleg van industriële houtplantages, maar uit het diverse rapporten blijkt dat de uitvoering daarvan hopeloos achter ligt op schema. Van de 1,5 miljoen hectare herbebossing die in het kader van het Vierde Bosbouw Vijfjarenplan (1984-1989) op papier stond is welgeteld 4,6 procent ook inderdaad aangeplant - waarmee overigens nog niets gezegd is over de overlevingskansen van de zaailingetjes.

Bij de houtindustrie is de animo voor de wettelijk verplichte herbebossing minimaal omdat de kap van primair regenwoud aanmerkelijk lucratiever is en voor de papierfabrikanten, die nog veel meer verschillende houtsoorten in hun maalmachines kunnen verwerken, geldt dat nog veel sterker.

Zoals het vakblad Pulp and Paper International schreef: ""Een groot voordeel van Indonesië boven andere papierproducenten in de regio is de gigantische bosreserve. Het merendeel daarvan betreft gemengd tropisch hardhout en uit recent onderzoek blijkt dat dat zeer geschikt is voor de papierfabricage.''

Volgens Down to Earth valt die "gigantische bosreserve' echter nogal tegen. De Indonesische regenwouden staan ernstig onder druk. Er verdwijnt 1,2 miljoen hectare bos per jaar door houtkap, bosbranden en landbouwontginningen. Zo zijn er de verhuizingen van "transmigranten' vanuit het overbevolkte Java, Bali en Madura naar andere, bosrijke eilanden. In het vijfde vijfjarenplan (1989-1994) is twee miljoen hectare bos gereserveerd om er 550.000 families (zo'n 2,5 miljoen personen) als boeren te vestigen. Voorts eisen mijnbouw, plantages en wegenaanleg hun tol.

Uit een in 1991 gepubliceerde studie van de International Timber Trade Organisation (ITTO) blijkt dat 160 commerciële Indonesische houtsoorten, waaronder 106 Dipterocarpaceae, met uitsterven worden bedreigd.

Niet ongevoelig

De Indonesische regering is niet ongevoelig voor de internationale kritiek op haar falend bosbeleid. Emil Salim, minister voor Bevolkings- en Milieuzaken heeft toegezegd dat de opkomende papierindustrie geen extra aanslag op maagdelijke regenwouden zal betekenen omdat de papierfabrikanten hun eigen grondstof zullen verbouwen op woeste, niet gebruikte gronden, waarvan het land zo'n 20 miljoen hectare bezit. Maar zelfs een snelgroeiende zachthoutsoort heeft tenminste 13 jaar nodig voordat hij kaprijp is. Papierfabrikanten zijn dan ook weinig geïnteresseerd in ruige alang-alangvelden, het ligt meer voor de hand om een bestaand stuk bos kaal te kappen. Aanplanten kan altijd nog.

In Pulping the Rainforest is een interessant hoofdstuk "Who is who' opgenomen, waarin het conglomeraat van vrienden en familieleden van president Soeharto in de bosbouw-business wordt beschreven. Zij krijgen concessies over "lege' gebieden, die in werkelijkheid alles behalve leeg zijn. Lokale bewoners staan echter juridisch vaak nogal zwak. De traditionele Indonesische adat, waarin aanspraken op grondeigendom zijn vastgelegd, geldt alleen voor gronden die permanent in cultuur zijn. Zwerfbouwers, jagers en verzamelaars hebben vrijwel geen rechten. In Indonesië leven naar schatting 30 tot 40 miljoen mensen van de traditionele opbrengst van de meest uiteenlopende bosprodukten, waaronder hout en honing, vruchten en jacht, rotan en rubber, medicinale planten enzovoorts, maar in de statistieken vind je ze nauwelijks terug.

Volgens de Indonesische wet zijn de meeste bossen eigendom van de Staat, die ze in het algemeen belang moet beheren en de concessies uitgeeft. De activiteiten van hout- en papierondernemers gelden als "algemeen belang'. Vaak is daarbij aan de oorspronkelijke bewoners geen compensatie verplicht voor het verlies van hun land. Eenmaal van hun land verjaagd vervallen velen volgens Down to Earth tot bedelarij en prostitutie, soms worden ze aangenomen als dagloners op de concessie, maar vaker verkiest men daarvoor transmigranten.

Illustratief is het optreden van papiergigant Indah Kiat, die op midden-Sumatra een sociale en ecologische ravage aanricht. De gronden van de oorspronkelijke Sakai worden eenvoudig in bezit genomen, hun rubberaanplant en zelfs heilige begraafplaatsen worden daarbij niet ontzien. Het bedrijf dat voor 13 procent in handen van de staat is en gelieerd aan enkele Taiwanese maatschappijen, is tot geen enkele herstelbetaling verplicht. Indah Kiat wil haar capaciteit in 1995 uitbreiden naar 1 miljoen ton pulp. Nu al wordt daarvoor 400.000 ton hout per jaar van 100 verschillende boomsoorten uit de omringende bossen geoogst.

Het bedrijf heeft 200.000 hectare bos in exploitatie en wil dat areaal nog verdubbelen. Eind 1987 had Indah Kiat zelf zegge en schrijven 3.000 hectare Eucalyptusboompjes aangeplant. Als alles meezit zijn die rond de eeuwwisseling klaar om te verpulpen.

Pulping the rainforest: the rise of Indonesia's paper and pulp industry. Een uitgave van Down to Earth, Postbus 213, Londen SE5 7LU.

Regenwoudeiland Siberut in gevaar

Het eilandje Siberut voor de westkust van Sumatra dat in 1981 door de UNESCO werd uitgeroepen tot Mens en Biosfeer-reservaat, wordt van alle kanten bedreigd. Een onderzoeksrapport dat wordt voorgelegd aan het Indonesische ministerie voor Bevolking en Milieubeheer maakt melding van grootschalige ontwikkelingsplannen. Ook is een akkoord gesloten over de herhuisvesting van 10.000 families uit andere, dichtbevolkte eilanden die de komende vijf jaar als transmigranten op Siberut een nieuw bestaan moeten opbouwen. De bossen moeten wijken voor de aanleg van oliepalmplantages.

De biologische rijkdom van Siberut is onovertroffen. Met enkele andere eilandjes ligt het al 500.000 jaar geïsoleerd van Sumatra. 15 procent van de planten en 65 procent van de zoogdiersoorten die het eiland bevolken komen nergens anders ter wereld voor.

Bovendien leiden hier nog 18.000 inheemse Mentawai het traditionele bestaan van hun voorouders. Deze getatoeëerde, primitieve wilden in hun lendendoeken vormen een groeiende toeristische trekpleister. Het toerisme wordt grotendeels georganiseerd door ondernemingen van buitenaf, het eiland zelf houdt er weinig of geen inkomsten aan over.

Het eiland is nu de inzet geworden van een machtsstrijd tussen verschillende Indonesische ministeries. Het ministerie van Milieubeheer wil Siberut beschermen, maar het ministerie voor Bosbouw heeft al driekwart van de regenwouden aan houtvestingsmaatschappijen verpacht. Deze opereren al sinds de jaren zestig in de kustgebieden aar trekken nu dieper de binnenlanden in.

Uit het rapport blijkt dat de maatschappijen hun plicht tot herplant niet nakomen. Op de ontboste hellingen zorgen de tropische slagregens voor grote erosieproblemen. Het eiland ontvangt zo'n 4000 millimeter neerslag per jaar (ruim vijfmaal zoveel als ons land). De fijne kleigrond is bijzonder erosiegevoelig.

Door de houtmaatschappijen worden de in 1981 aangewezen grenzen van het Biosfeerreservaat niet in acht genomen. Rechten van inheemse bewoners worden niet erkend, compensatie voor het verlies van land en inkomsten wordt niet uitbetaald. In het rapport wordt melding gemaakt van een klacht van een familie in Saliguma die een gewijde boom had verloren. Volgens traditioneel gebruik wordt bij de dood van een familielid de omtrek van een hand en voet van de overledene in de stam van een Doerianboom gekerfd en zo'n boom mag onder geen beding worden omgehakt. Na lang touwtrekken kreeg de familie 15 dollar uitgekeerd.

Schattingen over de omvang van de geplande oliepalmplantages lopen uiteen van 10.000 tot 250.000 hectaren. De 18.000 inheemse Mentawai worden in speciale dorpen geherhuisvest, niet in grootfamilieverband, maar in eensgezinswoninkjes. Ze zullen fatsoenlijke kleren moeten dragen en krijgen de keus uit vier officiële godsdiensten: Christendom, Islam, Hindoeisme of Boeddhisme. Hun onreine varkens mogen ze in de nieuwe dorpen niet meer houden.

Voor de huisvesting van de tienduizenden nieuwe transmigranten, die werk moeten vinden op de plantages, is in 1992 185.000 hectare aan de oostkust gereserveerd. Het gaat om "lege gebieden', waar zich echter dorpen en velden van de inheemse bevolking bevinden.

Vermoedelijk zal dit alles tot sociale ontwrichting leiden. Een vergelijking met de Kubu, een volk op Zuid-Sumatra, ligt voor de hand. Tien jaar geleden stonden zij voor de zelfde problemen die nu de Mentawai bedreigen. Inmiddels is nog maar 20 procent van de Kubu in leven. (Down to Earth aug. '91 - New Scientist 2 nov. '91).