Het verwaarloosd eerbetoon aan de goede Sint

“Amstels oudste Tempelbogen Ons ontnomen door den geus Staan herboren aan de zoomen Van de zilte waterstroomen Statig, krachtig als een reus.”

Of het nu de reiziger betreft die bepakt en bezakt het Amsterdamse Centraal Station verlaat of een slenterende voorbijganger die vanaf de Oude Waal de zonsondergang bewondert: aan het indrukwekkende silhouet van de Sint Nicolaaskerk valt niet te ontkomen.

Van nabij een weinig uitnodigende, grimmige steenmassa, verkrijgt de kerk van enige afstand de allure van een kathedraal. Dat was overigens geheel de bedoeling van architect Adriaan Bleijs, die het bouwwerk in 1887 voltooide. Niet alleen kan de kerk door de omliggende watermassa's vrijwel uitsluitend van een afstand bewonderd worden, zo redeneerde Bleijs. Ook de laag grauw stadsvuil die nu eenmaal gaandeweg de stenen zou bedekken, maakte dat de kerk het vooral van haar totaal-profiel moest hebben.

Zo werkt het ook. De ranke, 60 meter hoge koepel van de Sint Nicolaaskerk steekt majestueus af bij de omliggende grachtenpanden. De combinatie met minaret-achtige torentjes aan de voorzijde roept zelfs in de meest dampige winteravond nog de suggestie op van exotische, warmbloediger streken.

Sint Nicolaas, schutspatroon van Amsterdam en heilige van de onverhoopte goede gaven, had zich geen beter eerbetoon kunnen wensen. Bereikbaar per boot en op loopafstand van de Wallen en de beurs is ook de locatie van de kerk slim gekozen, aangezien Nicolaas behalve gepatenteerd kindervriend immers geldt als de beschermer van schippers, lichtekooien en zakenlieden. En wie had de kerk voor de strooier van zoetgoed beter kunnen inwijden dan de toenmalige aartsbisschop mgr. Snickers?

De legendes van de goede Sint, de voormalige bisschop van Myra (Zuid-Turkije), wiens sterfdag morgen voor de 1665ste maal wordt herdacht, zijn uitgebreid terug te vinden in de wandschilderingen in de kerk aan de Prins Hendrikkade die Jan Dunselman tussen 1918 en 1921 aanbracht.

De Sint die bij maanlicht geld strooit door het raam en zo verhindert dat de drie maagdelijke dochters van een verarmd edelman tot prostitutie vervallen. De Sint die drie kinderen weer tot leven wekt, nadat een gewetenloze herbergier hen bij wijze van mondvoorraad heeft ingezouten in een ton.

De schilderingen verliezen de wat grimmiger karaktertrekjes van de heilige niet uit het oog. Terug uit ballingschap opgelegd door de Romeinen, kijkt de heilige goedkeurend toe hoe bij wijze van wraak de weliswaar beroemde, maar toch vooral heidense tempel van Diane tot de laatste steen wordt gesloopt. Met de Sint valt niet te sollen, zo luidt de boodschap, al is het uiteindelijk toch de onbaatzuchtigheid die beklijft. Die ging na de dood van Nicolaas overigens onverminderd voort: daags na het inmetselen van het lijk sijpelde een "miraculeuse vochtigheyt' uit de tombe die bij consumptie alle ziekten bleek te genezen.

Terwijl hij is herbegraven in het Zuiditaliaanse Bari speelt vochtigheid de Sint in Amsterdam nog steeds parten. Gebroken ruiten en verrotte sponningen geven de regen in de Sint Nicolaaskerk vrij spel ten koste van de muurschilderingen met de Nicolaas-legende. De vrijgevigheid van de Sint staat dan ook in schril contrast met de verwaarlozing van zijn huis.

“Ik hoop dat er nog ergens een bisschop in het zuiden is die wat wil schenken, anders zie ik het somber in”, verzucht ir. H.P. Klooster, directeur van de hoofdstedelijke monumentenzorg. Als gevolg van de terugval in subsidies voor rijksmonumenten zal waarschijnlijk pas rond de eeuwwisseling het noodzakelijke opknapwerk beginnen.

Daarmee lijkt een meer dan honderd jaar oude vete alsnog beslecht. Architect Bleijs gebruikte voor zijn kerk een bont mengsel van stijlkenmerken waarin de renaissance en barok overheersen. Daarmee brak hij radicaal met de neogothische bouwstijl die de vorige eeuw als norm voor katholieke kerkgebouwen gold. Dat laatste was vooral de verdienste van de architect P.J.H. Cuypers, die het gegroeide katholieke zelfbewustzijn vormgaf in menig gothisch kerkgebouw. Bleijs was bij Cuypers in de leer geweest, maar zijn bevlogen karakter verdroeg zich slecht met het strakke bewind van zijn meester. De heren gingen dan ook met knallende ruzie uit elkaar.

Opmerkelijk is dat Bleijs, ondanks de machtige positie die Cuypers in katholieke kring bekleedde, toch de opdracht voor de prestigieuze Nicolaaskerk wist binnen te slepen. Temeer daar Cuypers weinig op had met de welhaast postmoderne opeenstapeling van stijlkenmerken in het ontwerp.

Wellicht dat Cuypers zijn handen vol had aan het Centraal Station, dat in 1889 tegenover de kerk van zijn rivaal zou verrijzen. Het spoorstation dat zich in tegenstelling tot de Sint Nicolaaskerk anno 1991 in goede staat van onderhoud lijkt te bevinden.

De rivaliteit tussen de twee architecten blijft actueel. Zo prijkt nu al sinds enkele jaren een opmerkelijk, rood verlicht kruis op de koepel van de Sint Nicolaaskerk. Bijna had ook Cuypers zijn bijzondere teken gehad in de vorm van het schommelende kruis dat eertijds het dak van het evenementen-centrum Paradiso sierde. Huib Schreurs, voormalig directeur van Paradiso, leek het wel een aardig idee het kruis te plaatsen op de Vondelkerk, een ontwerp van Cuypers. Maar dat plan werd afgeblazen uit eerbied voor de katholieke architect.

En zo houdt Bleijs met zijn kruis een streepje voor. Het is overigens niet duidelijk aan wie hij dat te danken heeft. De donateur die de verlichtingskosten voor zijn rekening neemt verkiest de anonimiteit.

Foto Bern. F. Eilers: De Sint Nicolaaskerk in 1901