Het "sociale gezicht' van Europa blijft verborgen

ROTTERDAM, 5 DEC. Een uiterst magere oogst. Die conclusie dringt zich op na een half jaartje schminken aan het "sociale gezicht' van Europa onder Nederlands voorzitterschap.

Drie richtlijnen, een aanbeveling en een regelwijziging zijn onder leiding van minister De Vries (sociale zaken) over de eindstreep gebracht. Dat lijkt een behoorlijke score. Maar het stelt in het licht van de pretenties van het sociale "actieprogamma' van de Europese Commissie en de ambities van het Nederlandse voorzitterschap weinig voor.

De drie richtlijnen betreffen minimumvoorschriften voor veiligheid en gezondheid van werknemers op tijdelijke en mobiele bouwplaatsen, minimumvoorschriften voor de beveiliging (met borden, etiketten, signalen en seinen) van gevaarlijke werkplekken en de bescherming van zwangere werknemers. De aanbeveling raadt de lidstaten aan kinderopvang te stimuleren. En de regelwijziging verbetert de rechtspositie van migrerende werknemers bij sociale verzekeringen.

Van deze onderwerpen gold een half jaar geleden alleen de richtlijn over de bescherming van zwangere werknemers als prioriteit van het Nederlandse voorzitterschap. De andere prioriteiten sneuvelden. (Opmerkelijk is dat de ministers elkaar deze week betrekkelijk gemakkelijk vonden toen het erom ging pensioenaanspraken van vrouwen die voortvloeien uit Europese jurisprudentie via wijziging van de regelgeving te beperken).

Bij de gesneuvelde Nederlandse prioriteiten ging het om een richtlijn met minimum-voorschriften voor medezeggenschap van werknemers in grote ondernemingen (Europese ondernemingsraden) en een richtlijn met maximum-voorschriften voor werktijden. Daarnaast hechtte Nederland veel waarde aan twee aanbevelingen, over verankering het recht van elke EG-inwoner op voldoende middelen van bestaan in de diverse nationale systemen van sociale zekerheid en over convergentie van doelstellingen van de sociale zekerheidsstelsels van de EG-landen.

Keer op keer verzekeren de Europese Commissie en de afzonderlijke lidstaten dat de "sociale dimensie' van Europa gelijktijdig met de voltooiing van de interne markt gestalte moet krijgen. “Geen Europese interne markt zonder een Europees sociaal beleid. Dat is van meet af aan ons standpunt geweest”, zei minister De Vries vorige week nog op een bijeenkomst in Utrecht. Maar amper een jaar voor het verstrijken van de deadline en met het Portugese en het Britse voorzitterschap in het verschiet staat al vast dat het sociale actieprogramma bij lange na niet wordt gehaald.

“Naarmate de discussie vordert blijkt hoe moeilijk het is om een Europees sociaal beleid te voeren”, aldus De Vries, die een half jaar lang met zijn neus werd gedrukt op het feit, dat de EG-lidstaten, met uitzondering van Groot-Brittannië, keer op keer hun loyaliteit jegens het Europees Sociaal Handvest belijden, maar zelden of nooit eensgezind thuisgeven als het op de uitvoering van het daarop gebaseerde actieprogramma aankomt.

De verdeeldheid gaat niet alleen over de vraag welke onderwerpen het beste op nationaal danwel op Europees niveau geregeld kunnen worden. Ze strekt zich ook uit tot de criteria aan de hand waarvan een herverdeling van de bevoegdheden op het gebied van het sociale beleid zou kunnen worden gemaakt. Wat dat betreft lijkt de Europese verkenning van het leerstuk van de subsidiariteit, territoriaal en functioneel, nog in de kinderschoenen te staan.

Om nog iets te redden van het sociale beleid in Europa acht De Vries versterking van het Economisch en Sociaal Comité, het belangrijkste adviesorgaan van de Europese Commissie, zeer welkom. Via dit comité moet volgens hem ook worden geprobeerd de betrokkenheid van de Europese organisaties van werkgevers en werknemers te vergroten. Momenteel opereert het “te geïsoleerd” en heeft het “te weinig achterban”, aldus De Vries.