Het Europa van de specialisten

In Groot-Brittannië was reeds maanden geleden één van de grote discussiepunten of premier Major nu voor of na "Maastricht' algemene verkiezingen zou uitschrijven.

The New York Times opende enkele weken geleden met een bericht over nieuwe ontwikkelingen inzake "Maastricht'. Bij de Financial Times siert het woord "Maastricht' nu al wekenlang bijna dagelijks de voorpagina. En hoe is het in ons eigen Nederland? Daar wordt het politieke debat de week voor Maastricht gedomineerd door de vraag of de extra opbrengst van de accijnsverhoging voor shag mag worden aangewend voor extra conducteurs op de tram. Kortom, een debat met handen en voeten.

Ho stop! En vorige week dan in de Tweede Kamer? Inderdaad. We hebben ons eigen nationale debatje over de volgende stap op weg naar de opheffing van de staat der Nederlanden gevoerd tijdens de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken. Terwijl in Londen nog de kruitdampen hingen van een tweedaags debat in het Lagerhuis over "Maastricht', besprak de Nederlandse Tweede Kamer Europa als deelonderwerp tijdens een begrotingsbehandeling. Typisch een zaak ook die je aan de fractiespecialisten overlaat. Terwijl Weisglas, Van der Linden, Eisma, Van Traa, en al die andere buitenlanddeskundigen het woord voerden, waren de fractievoorzitters in geen velden of wegen te bekennen. Ze werden wel driftig geciteerd, want èn Wöltgens èn Brinkman èn Bolkestein èn Van Mierlo waren kort daarvoor in een serie interviews in deze krant uitvoerig aan het woord geweest over Europa. Maar over diezelfde zaak ook met elkaar een debat voeren in de Tweede Kamer? Kom nou, het Binnenhof mag immers geen theater worden.

Het is de afgelopen weken ook al door diverse anderen geconstateerd: het ontbreekt in Nederland ten enen male aan een publiek debat over Europa. Niet dat het in de overige betrokken landen - met uitzondering natuurlijk van Groot-Brittannië - zo'n hot issue is, maar in Nederland is het wel heel erg stil. En dat is des te opmerkelijker als blijkt dat steeds meer leidende nationale politieke figuren twijfel uiten over de oorspronkelijke doelstellingen van dat Verenigde Europa. Eigenlijk is het onthutsend dat die twijfel wel in krantekolommen wordt uitgesproken, maar niet in 's lands vergaderzaal. Om in Europese termen te blijven: er ontwikkelt zich een debat met twee snelheden. Eén in het parlement, aangevoerd door de Eurocraten, en één buiten het parlement aangevoerd door de fractievoorzitters. Zolang fractievoorzitters en fractiespecialisten elkaar nog niet hebben overtuigd, zal het zo voorlopig ook wel blijven gaan.

Neem PvdA-fractieleider Wöltgens, gepokt en gemazeld in de Euregio Kerkrade dus van Hollands chauvinisme kan hij moeilijk worden beticht. Hij toonde zijn reserves over de Europese integratie ongeveer een jaar geleden voor het eerst openlijk. Moet alles wel naar Brussel worden overgeheveld, zo vroeg hij zich af. Het sociale zekerheidsstelsel diende in nationale handen te blijven, net als zaken als de vaste boekenprijs en het omroepbestel. Hier diende Europese bemoeienis “geen enkel redelijk doel”, zei Wöltgens toen in een toespraak voor de Anne Vondelingstichting.

Achter een glas bier wilde Wöltgens dan nog wel eens toegeven dat zijn ideeën helaas nog lang geen gemeengoed waren in de fractie en dat er nog heel wat overtuigingskracht van hem werd gevergd. In het interview dat Rob Meines vorige maand met hem in deze krant had, ging Wöltgens weer een stap verder dan een jaar geleden. Er moest wat hem betreft “zo min mogelijk” aan Brussel worden overgedragen. “Er bestaat in Engeland een terechte angst voor een soort centralistisch Europa, waarbij veel bevoegdheden die tot nu toe op een heel bevredigende wijze op het nationale niveau worden uitgevoerd terechtkomen in het ondoorzichtige geheel dat Brussel is.”

Maar namens zijn fractie sprak Wöltgens nog steeds niet, blijkens de bijdrage van PvdA-fractiespecialist Van Traa vorige week in de Tweede Kamer. Want die zei doodgemoedereerd: “Vrees voor verdere integratie is begrijpelijk, als het zou gaan om compleet verlies van eigen karakter. Ik ben er echter evenzeer van overtuigd dat bekrompen provincialisme tot niets leidt. Voor Nederland moet de Europese integratie verder gaan. Daarvoor is echt geen alternatief, zeker niet voor ons”. Toen hij daarop door de GPV-er Van Middelkoop aan de woorden van Wöltgens werd herinnerd zei Van Traa: “Ik ken de heer Wöltgens en zijn opvattingen. Zijn toon is zeker niet de toon die ik op dit moment zou herhalen als fractiewoordvoerder”. Zo liggen klaarblijkelijk op dit moment de verhoudingen binnen de Partij van de Arbeid.

Maar ook binnen de VVD is men het spoor volledig bijster als het over Europa gaat. Op de partijraad van de VVD in september van dit jaar sprak fractievoorzitter Bolkestein opeens niet meer over een federaal Europa, maar over een confederaal Europa. Tijdens de Algemene Beschouwingen die enkele weken later werden gehouden zei Bolkestein dat zijn fractie sinds de Golfcrisis “een ontwikkeling in het eigen denken had doorgemaakt”. Dat denken verloopt soms alleen wat traag. Want hoewel de Golfcrisis in juni van dit jaar al maanden achter de rug was, zette VVD fractiespecialist Weisglas toen nog zijn handtekening onder een motie waarin werd uitgesproken dat een “uitdrukkelijk communautair perspectief voor het buitenlands- en veiligheidsbeleid evenals het beleid op het gebied van justitiële samenwerking” behouden moest blijven. Vorige week gaf Weisglas toe dat als dezelfde motie nu ter tafel had gelegen, hij deze niet meer zou ondertekenen. Wat kunnen Kamerleden op dat soort momenten toch mild voor elkaar zijn. Weisglas' medeling werd voor kennisgeving aangenomen.

De liberalen zitten als het om Europa gaat, in een uiterst moeilijk parket. Voor Bolkestein hoeft de Europese integratie niet meer zo nodig. “Waarom moet de Europese Commissie zeggen wat de minimum of maximum arbeidstijden zijn in Nederland. Daar heb ik geen enkele behoefte aan. Dat maken we zelf wel uit”, zei Bolkestein in deze krant. Maar het programma van de Europese liberale fractie zegt dat het streven gericht moet zijn op “een Europese Unie op federale grondslag waarin bepaalde staatstaken gezamenlijk worden behartigd”. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn. Nuanceverschillen tussen de liberalen in het Europarlement en het nationale parlement zijn volgens Weisglas “geen schande”. Alleen jammer dat de VVD enkele jaren geleden in een bui van opperste Euroforie heeft besloten het nationale handelen met betrekking tot Europa ondergeschikt te maken aan het verkiezingsprogramma van de Europese liberalen. De nationale VVD-ers zijn gebonden aan de Europese liberale fractie. Bolkestein moet luisteren naar Gijs de Vries, daar komt het eigenlijk op neer. Het is duidelijk dat deze afspraak is gemaakt voordat Bolkestein aantrad als fractievoorzitter.

Europa is het zoveelste voorbeeld van het hoge moerasgehalte van het nationale politieke debat. De consensus-machine sleurt iedereen mee. Bij de volksgezondheid was "Simons' een voortzetting van "Dees' en "Dees' weer een voortzetting van 'Dekker'. De zaak speelde al zo lang en had al zoveel specialisten mee weten te zuigen dat niemand meer de fundamentele vraag durfde te stellen: waar doen we het ook al weer voor. Met het Europa-debat gaat het precies dezelfde kant op. De specialisten zetten de toon terwijl de generalistische fractievoorzitters hun twijfels hebben. Het gevolg is nationale stilte.