Europa voor beginners 2

Over een jaar of tien betalen we niet meer met guldens. Een postzegel van een Ecu krijg je dan, bijvoorbeeld. De grenswisselkantoren kunnen wel opdoeken, in heel Europa mag iedereen met hetzelfde geld betalen.

Niet alleen telefooncellen, geld-, snoep- en sigarettenautomaten zullen worden aangepast, ook het economisch beleid in Den Haag. Dat is het gevolg van de Economische en Monetaire Unie, de EMU, die waarschijnlijk dinsdag wordt goedgekeurd. De leiders van de twaalf EG-landen zullen in Maastricht beslissen op zijn vroegst in 1997 en uiterlijk in 1999 vaste wisselkoersen af te spreken en hun monetair beleid over te dragen aan een Europese centrale bank, om uiteindelijk samen één munt in te voeren.

Het is nogal wat als een land de zeggenschap over zijn geld uit handen geeft. Geld is het smeermiddel van de economie. Als er te weinig in omloop is, kan de economie zich niet ontplooien en blijven investeringen en nieuwe banen uit. Maar als er te veel geld in omloop is, worden de munten en bankbiljetten minder waard. De hoogte van de wisselkoers bepaalt bovendien hoe duur de nationale produkten in het buitenland zijn en heeft op die manier ook invloed op de werkgelegenheid.

Met geld kun je dus politiek bedrijven. Wanneer de geldhoeveelheid Europees wordt geregeld, kan een regering niet meer de wisselkoers verlagen of zomaar extra geld uittrekken voor een nieuwe spoorlijn of hulp aan bejaarden. Er komen namelijk ook bindende regels voor de omvang van begrotingstekorten.

De EMU is niet iets van de laatste weken of maanden, tenminste niet voor de twaalf regeringen. Die werken er al jaren aan. De "eerste fase', het onderling op elkaar afstemmen van het economisch beleid, is zelfs al op 1 juli vorig jaar begonnen. We zien hier gebeuren wat Jean Monnet, de "vader' van de EG, in de jaren vijftig hoopte: zodra landen een deel van hun beleid bij elkaar voegen ontstaat de drang om steeds meer samen te doen. Ze raken in elkaar verstrikt. Met een positieve ondertoon heet dat integratie.

Zo hebben de verschillende landen hun wetten langzamerhand aan elkaar aangepast, zodat eind 1992 het langverwachte moment aanbreekt waarop je overal kunt werken, zaken doen en vakantie houden alsof de EG één land is. Dat is makkelijk. Maar op die befaamde "interne markt' is het toch nog lastig winkelen wanneer je steeds met ander geld moet betalen. Het wisselen kost bedrijven en vakantiegangers in de EG naar schatting 40 miljard gulden per jaar. Plus een hoop gedoe en onzekerheid, want de koersen veranderen steeds. Overal dezelfde munt is veel handiger.

En dus besluiten de landen nu hun eigen lire, gulden of franc op te geven om makkelijker handel te kunnen drijven. Ze ruilen, zou je kunnen zeggen, een deel van hun politieke zelfstandigheid in tegen de hoop op meer welvaart.

In een aantal landen wordt dat als vanzelfsprekend beschouwd, in Engeland niet. De Britten hebben bedongen dat als hun parlement het EMU-verdrag nu goedkeurt, het over een paar jaar bij de invoering van die ene munt nog eens mag oordelen. De ministers hebben lang gepraat of deze regeling voor iedereen moet gelden. Nee, vonden ze, want dan geef je ze allemaal de kans om zich te bedenken. En als bijvoorbeeld het sterke Duitsland straks toch liever z'n eigen geld wil houden gaat die hele EMU niet meer door.

De Britse reserves tegen Europa zijn niet zonder grond. De EG-regeringen spreken af onderling steeds meer macht te delen, maar de parlementen kunnen de gemeenschappelijke besluiten niet goed controleren. Bovendien vormen de twaalf landen straks wel een economische eenheid, maar houden zij hun buitenlandse politiek nog ieder voor zichzelf. Hoe moet dat bij economische hulp aan Oost-Europa? Of bij de volgende oliecrisis? Komt één economisch blok dan met twaalf verschillende reacties?

En weer werkt de wet van Monnet. Naast de monetaire unie moet er ook een "politieke unie' komen. Maar daarover morgen meer.