Deltaplan kunst: 65 mln extra voor onderhoud

DEN HAAG, 5 DEC. De ministeries van WVC en VROM zullen de komende vier jaar 65 miljoen gulden extra uittrekken om het achterstallig onderhoud en de klimaatbeheersing in de rijksmusea en de rijksarchieven aan te pakken.

Dat zei minister d'Ancona gisteren in Den Haag bij de presentatie van de nota Vechten tegen verval, die de uitvoeringsplannen bevat van het Deltaplan voor het Cultuurbehoud, het reddingsplan voor belangrijke onderdelen van het cultureel erfgoed in Nederland. In de nota geeft de minister aan hoe het beschikbare geld, in totaal 193 miljoen tot en met 1995, zal worden verdeeld. Zij geeft daarbij prioriteit aan registratie en conservering. Voor restauratie is voorlopig geen geld.

De 65 miljoen gulden, ter beschikking gesteld door WVC en de Rijksgebouwendienst, zijn nodig om ervoor te zorgen dat objecten die in het kader van het Deltaplan zijn schoongemaakt, gerepareerd en ontzuurd, worden tentoongesteld of bewaard in goed geklimatiseerde zalen of depots. “Het heeft geen zin een collectie met veel geld en moeite op te knappen om deze daarna weer in een vochtig depot terug te zetten waar schimmel en insekten vrij spel hebben”, zei d'Ancona. In totaal bedraagt het achterstallig onderhoud van de gebouwen 110 miljoen gulden. D'Ancona en haar collega Alders van VROM spraken de intentie uit het resterende bedrag na de eerste periode van vier jaar verder aan te vullen.

Van de 193 miljoen gulden, te verstrekken tot en met 1995, wordt 59 miljoen beschikbaar gesteld voor het behoud en beheer van de collecties van de rijksmusea. Een deel van dat geld (20 miljoen) zal worden gebruikt om de registratieachterstanden weg te werken. Bij 13 van de 17 rijksmusea moeten zo de achterstanden in 1995 geheel zijn verdwenen. De overige vier, het Rijksmuseum Amsterdam, het Rijksmuseum Meermanno Westreenianum, de Rijksdienst Beeldende Kunst en het Natuurhistorisch Museum, volgen in de jaren daarna.

Ook in de conservering van de collecties kunnen de belangrijkste achterstanden in de komende tien jaar zijn ingelopen, zei d'Ancona. Volgens de nota is een bedrag vereist van 120 miljoen gulden. Ongeveer de helft daarvan is nodig om de achterstanden bij het Rijksmuseum Amsterdam en het Rijksmuseum voor Volkenkunde weg te werken. De minister wil voor conservering tot en met 1994 een bedrag van 28 miljoen uittrekken. Daarom zullen ook de musea zelf een forse bijdrage moeten leveren. Voorrang zal worden gegeven aan belangrijke collectie-onderdelen vallende onder categorie A en B voor objecten die onvervangbaar en onmisbaar zijn voor het desbetreffende museum. Een aantal musea kan zo in vier jaar de gehele achterstand wegwerken. Alleen het Rijksmuseum Amsterdam, het Rijksmuseum voor Volkenkunde en de Rijksdienst Beeldende Kunst zullen, behalve in de categorie A, nog in 1998 met achterstanden in de conservering zitten. De BKR-collectie laat de minister, in afwachting van een besluit omtrent de bestemming, voorlopig buiten beschouwing.

De nota Vechten tegen verval is een vervolg op de nota Bedreigd Cultuurbezit uit 1990. Daarin werd een inventarisatie gemaakt waaruit bleek dat de achterstand in collectie-administratie en conservering bij musea, monumenten, archieven en archeologische collecties bijna een miljard gulden bedroeg. De regering heeft ten behoeve van het Deltaplan de cultuurbegroting structureel verhoogd met een bedrag dat moet oplopen tot 40 miljoen gulden per jaar. Dat is echter niet genoeg om de problemen snel op te lossen.

De minister noemde ook de aanpak van de achterstanden in de niet-rijksmusea (ruim 200 miljoen gulden voor objecten van bijzondere culturele waarde) urgent. Zij is bereid de subsidievoorwaarden te versoepelen en een subsidie van 40 procent te verstrekken voor conserveringsprojecten in gemeentelijke, provinciale of particuliere musea. De komende vier jaar is daarvoor 28 miljoen beschikbaar, aldus de minister. In dat kader overhandigde d'Ancona gisteren bij de presentatie van de nota een cheque van 540.000 gulden voor de conservering van het Panorama van Mesdag in den Haag.

Het inlopen van de achterstanden vraagt om geschoold personeel. Het aantal beschikbare restauratoren op de markt is echter niet voldoende om te voldoen aan de vraag die door het Deltaplan ontstaat. Het opleiden van een restaurator vergt ongeveer vijf jaar. De bedoeling is werkzoekenden aan te trekken, die worden bijgeschoold om de restauratoren voorbereidende werkzaamheden uit handen te nemen. Bij het Museum voor Volkenkunde heeft men daar al goede ervaring mee, aldus een woordvoerder van WVC. Op deze manier zouden volgens de nota 160 werkzoekenden vijf jaar lang aan een baan kunnen worden geholpen.