De beuk in het produktiebos; Hoe houtplantages te veranderen in natuurlijke wouden

"Natuurtechnisch bosbeheer' (Natuurbeheer in Nederland, deel 4). G. Londo. 1991. Pudoc, Wageningen. 204 blz., gebonden. ƒ 40,-. ISBN 90 220 1025 2

"Bosgemeenschappen'. (Natuurbeheer in Nederland, deel 5) S. van der Werf. 1991. Pudoc, Wageningen. 342 blz., gebonden. ƒ 70,-. ISBN 90 220 1039 2

Nederland kent oorspronkelijk 33 verschillende bosgemeenschappen, zoals het Droog Berken-Zomereikenbos waarvan de laatste resten sinds de vorige eeuw bijna geheel zijn omgezet in dennebos. Van nature zouden er enkele duizenden hectare Moerasvaren-Elzebroek in het Hollands-Utrechtse plassengebied zijn, nu zijn het er slechts een tiental.

In het nieuwe handboek "Bosgemeenschappen' worden alle Nederlandse bosgemeenschappen uitvoerig beschreven, waarbij tevens de beheersmaatregelen aan de orde komen die nodig zijn om deze typisch Nederlandse bossen te herstellen.

Het geeft weer hoe het Nederlandse bos er zonder menselijke ingrepen uit zou hebben gezien. Uit historisch onderzoek en vergelijkingen met het buitenland geeft het boek een reconstructie van zogenaamde potentieel natuurlijke vegetaties. Bijna al het Nederlandse bos wijkt hiervan af. Met behulp van een determineersleutel gericht op de bodemstructuur, de kruidenlaag en - voor zover niet aangeplant ook het bomenbestand - is vrij nauwkeurig na te gaan waar in Nederland welke type bos eens heeft gestaan en weer zou kunnen groeien.

Tegelijk met "Bosgemeenschappen' verscheen "Natuurtechnisch bosbeheer'. Met deze nieuwe delen is nu de helft klaar van een tiendelig standaardwerk voor het beheer van de natuur in Nederland, uitgegeven op initiatief van het Instituut voor Bos en Natuuronderzoek (het voormalige Rijksinstituut voor Natuurbeheer). De twee laatste boeken zijn nauw op elkaar afgestemd, wat onder meer tot uiting komt in vele verwijzingen in de tekst.

"Natuurtechnisch bosbeheer' behandelt de maatregelen die leiden tot de ontwikkeling van meer natuurlijke bossen. In de meeste Nederlandse bossen zijn de natuurwaarden relatief laag. Bijna alle bomen zijn aangeplant, vaak op rijen en in grote percelen van dezelfde soort en leeftijd. Bijna alle bossen zijn bovendien in de vorige eeuw of begin 1900 aangeplant, zodat ze nog jong zijn. In natuurlijk bos groeien de bomen volgens een grillig patroon door elkaar en onderling verschillen ze in soort en leeftijd. De verscheidenheid aan planten en diersoorten is in oude natuurbossen veel hoger dan in de aangeplante monocultures.

Met eenvoudige ingrepen kan de periode die het bos nodig heeft om zich te ontwikkelen naar een natuurbos, sterk wordt bekort. Zonder omvormingsbeheer zal het bos ook vanzelf natuurlijker worden, maar dat gaat dan veel langer duren. Het duurt toch al honderden jaren voordat een echt natuurlijk bos is ontstaan.

Het bos omvormen betekent volgens een uitgekiend patroon - gebaseerd op de mozaïekachtige structuren in natuurlijk bos - bomen rooien en dan bij voorkeur exoten als douglas, Amerikaanse eik en Corsicaanse den. Dat kan gebeueren met een lier, zodat ze omvallen of breken. De stammen zelf kan men laten liggen. Van andere bomen wordt de bast ringsgewijs ingekerfd ("ringen') waardoor ze op semi-natuurlijke wijze op stam afsterven. Hierdoor ontstaan in het bos gevarieerde open plekken waarop boomzaden tot ontkieming komen. Op den duur zullen bomen van verschillende leeftijden door elkaar groeien.

Vogels, eekhoorns en de wind voeren zaden van elders aan, zodat allerlei boomsoorten opkomen. Afhankelijk van de eerste resultaten kan een dergelijke ingreep een jaar of tien later nog eens herhaald worden.

Wil men dat het bos zo natuurlijk mogelijk wordt, dan adviseert "Natuurtechnisch bosbeheer' daarna een beheer van nietsdoen: de natuur moet het verder zelf opknappen. Als het de bedoeling is om hout te produceren kunnen vele jaren later op kleine schaal bomen worden geoogst. Door dit laatste eveneens volgens plan te doen en slechts hier en daar een volgroeide boom of kleine groepjes bomen om te hakken en de stammen met paarden in plaats van zware trekkers af te voeren, zal het bos zo natuurlijk mogelijk kunnen blijven functioneren.

Uit een puur natuurlijk bos wordt echter geen hout geoogst. De schaarse voorbeelden van oerwoudresten in Europa leren dat de dode bomen die op de bosbodem liggen rotten, een essentiële rol in het bos ecosysteem spelen. Dood hout is essentieel voor de kringloop van voedingsstoffen en van groot belang voor insekten en schimmels. Dode bomen en takken dienen als schuilplaats voor tal van zoogdieren, amfibieën, en reptielen. In een dergelijk oerbos staan de afstervende woudreuzen nog overeind en bieden schuil- en nestgelegenheid aan vleermuizen en holenbroedende bosvogels. De Middelste bonte specht en de Bonte vliegenvanger zijn niet voor niets in Nederland zo zeldzaam geworden. Hetzelfde geldt voor het in Nederland beschermde Vliegend hert, waarvan de larven een periode van zeven jaar in dood eikehout moeten doorbrengen om zich tot volwassen kever te kunnen ontwikkelen.

Volgt op het omvormingsbeheer een langere periode van nietsdoen, dan zal een bos grotendeels dichtgroeien. Het is de vraag of hiermee de gewenste natuurlijke situatie zal worden bereikt. Want in een natuurlijk bos horen ook grote plantenetende dieren thuis zoals reeën, edelherten en wilde zwijnen. Als ze niet door de mens waren uitgeroeid of uit ons land verdreven, horen daar ook oerpaard en oerrund, wisent, eland en bever bij.

In wetenschappelijk kring is men er niet uit hoe groot de invloed van deze dieren op de bosvorming is geweest. Was Nederland, op enkele hoogveengebieden en de kust na, bedekt met een dicht loofwoud of zag het oerlandschap er meer parkachtig uit, compleet met grazige weiden en hier en daar hei, opengehouden door wilde herbivoren? Ook "Natuurtechnisch bosbeheer' geeft hierover geen duidelijkheid. Het advies luidt om in natuurlijke bossen hooguit zeer spaarzaam tam - of naar de vermoedelijke oerstaat teruggefokt - vee in te zetten. Edelherten, reeën en wilde zwijnen mogen onder geen beding worden bijgevoederd om de balans niet te verstoren waardoor de natuurlijke bosverjonging in gevaar zou kunnen komen.

Over elanden en bevers, die vooral in vochtige bos- en moerasgebieden grote invloed op een gevarieerd boslandschap kunnen hebben, wordt in het boek met geen woord gerept. Niet nader uitgewerkt is de mogelijkheid om ook grote grazers in te zetten in "multifunctionele' bossen met houtproduktie als bijdoelstelling.

Bomen groeien maar langzaam, reden waarom na enige tientallen jaren wetenschappelijk onderzoek nog niet is vastgesteld of de beheersmaatregelen zoals voorgesteld in "Natuurtechnisch bosbeheer' financieel interessant zijn voor het bosbedrijf. Het tot nu toe gevoerde beheer van grootschalige bosaanplant en kap lijkt steeds meer achterhaald. De exploitatiekosten worden steeds hoger en de natuur- en recreatieve waarden van deze bossen, die om die reden door overheid worden gesubsidieerd, laten volgens de tegenwoordige inzichten te wensen over.

Uit vergelijkbare beheersmaatregelen in het buitenland valt af te leiden dat natuurtechnisch bosbeheer niet duurder hoeft te zijn of zelfs betere exploitatieresultaten zal laten zien. Natuurtechnisch beheer is minder arbeidsintensief omdat er meer aan de natuur zelf wordt overgelaten. Het aanplanten van jonge bomen is in op deze wijze beheerde bossen niet nodig.

Toch zullen de personeelskosten naar verwachting licht stijgen. Er is weliswaar minder uitvoerend personeel nodig, maar omdat het om vrij gecompliceerde beheersvormen gaat, zal er meer hoger opgeleid personeel worden ingezet.

De bedrijfsresultaten kunnen positief uitpakken door de verwachte hogere houtopbrengsten. In natuurlijk bos blijven bomen langer staan en daarmee neemt de totale hoeveelheid hout in het bos toe. Tevens zal de gevoeligheid voor stormen en insektenplagen in deze bossen kleiner zijn - in monocultures kan een niet te zware storm door het domino-effect al desastreuze gevolgen hebben en schorskevers richten in dennebossen grote schade aan.