COMPUTERPOP

Sherry Turkle: The Second Self. Computers and the Human Spirit. New York: Simon and Schuster, 1984.

Omdat men mij op grond van een vroegere werkkring verstand van kinderen toedenkt, is er jaarlijks in de Sinterklaastijd altijd wel een medium dat mijn mening vraagt over het speelgoedaanbod. Ieder jaar is er dan iets waarover men zorgelijk doet. Oorlogsspeelgoed is bijvoorbeeld een weerkerend probleem, omdat er steeds verfijnder, net-echt vecht- en legertuig wordt bedacht en worden kinderen daar nu niet agressief van? Barbiepoppen zijn een goede aanhoudende tweede, want is zij met haar familie- en vriendenkring niet het toppunt van seksestereotypie? En is zij door alle glamour en glitterprullaria die voor haar kunnen worden aangeschaft niet verantwoordelijk voor pril consumentisme bij kinderen?

Er is ook speelgoed waarover men zich slechts tijdelijk druk maakt. Zoals enkele jaren terug over de computerspelletjes. Werden kinderen daar niet lui en passief van? Inmiddels is gebleken dat met een computerspel als zodanig niks mis hoeft te zijn, maar dat er slome en springerige spellen zijn. Voor een goed computerspelletje moet je behoorlijk alert en behendig zijn. Vorig jaar was het overdadige aanbod aan knuffelbeesten aanleiding tot bezorgdheid. Inmiddels lijkt het zo te zijn dat de meeste kinderen er één favoriete knuffel op na blijven houden en de rest is sier voor de kinderkamer. Net zoals pappa en mamma zich in hun woonvertrekken omringen met allerlei wat nutteloos en onbruikbaar is, maar toch zo leuk om naar te kijken.

En dit jaar is er dan de computergestuurde pop. Al naar gelang een kind de pop wáár aanraakt, en hóe vasthoudt of neerzet, wordt er gelachen, gehuild, gepraat, gekropen, gepiest, gepoept, geknoeid, gebloosd, het kan niet op. Er blijken ook kleine sequentietjes mogelijk: vallen-huilen-opstaan-lachen.

Ik heb drie typen zorgelijke vragen kunnen onderscheiden.

In de eerste plaats over de fantasie. Wordt die niet in de kiem gesmoord, als het er alleen maar op aankomt "knoppen' te bedienen waarna een voorgeprogrammeerd effect volgt. Daarbij gaat men er - volgens mij ten onrechte - van uit dat in alle kinderen een ontkiembare fantasierijkdom aanwezig is. Fantasie is een belangrijke menselijke mogelijkheid, maar het is ook een vorm van denken. En net zo min als alle kinderen even intelligent zijn - dat wil zeggen in gelijke mate beschikken over die andere denkvorm, die welke te maken heeft met leercapaciteiten - hebben ze allemaal even veel fantasie. Er zijn psychologen die menen dat er zelfs een sterk positief verband bestaat tussen fantasie en intelligentie. In ieder geval zijn er uitgesproken fantasieloze kinderen en voor hen is het misschien wel fantastisch dat ze met enkele simpele handelingen van alles kunnen laten gebeuren. En voor de fantasierijke kinderen geldt dat fantasie nu juist betekent dat je je los kunt maken van wat zich op het eerste gezicht aandient. Fantaseren maakt vrij, overstijgt de ogenschijnlijke beperkingen van de materie. Kinderen met fantasie kunnen zelfs het meest voorgekookte speelgoed naar hun hand zetten en inpassen in een spel zoals hun dat behaagt te spelen.

De tweede zorgelijke gedachte is die over het mechanische als zodanig, het al op jonge leeftijd leren bedienen van knoppen. Maar is dat niet een belangrijk kenmerk van de wereld waarin kinderen leven? Vanuit mijn bed kan ik sinds kort met behulp van een klein zwart toetsenbordje een iets groter zwart kastje bedienen en naar believen luisteren naar een groot aantal radiostations, cassettebandjes en compact-discs. Ik kan heen en weer schakelen, terugdraaien, opnemen. Ik ben er nog steeds een beetje beduusd van, maar het eerste het beste zesjarige ventje dat over de vloer komt vindt het heel gewoon. Zijn moeder heeft net zo'n kastje om op afstand de deuren van de auto open en dicht te doen. Hijzelf zit ermee voor de televisie. De keuken is een en al knop, het washok al evenzeer. Als hij meegaat geld halen in de automaat is het indrukken van de juiste toetsen voldoende. Voor wie een andere wereld heeft gekend zijn dat al naar gelang de ideologische instelling mirakels of verschralingen.

Volwassenen die als kind alleen poppen hebben gekend met slaapogen en een mammastemmetje in hun buik vinden zo'n computergestuurd poppekind misschien onnatuurlijk, maar een kind van nu weet niet beter dan dat je van allerlei via knoppen kunt regelen. Kinderen zijn altijd deelgenoot van de cultuur waarin de volwassenen leven bij wie ze opgroeien. Het is een romantisch verlangen hen daarbij weg te willen houden. En trouwens ook nergens voor nodig.

De derde zorg en interessantste vraag is of kinderen in het verlengde van de zo verraderlijk bijna-echte-kinderen-poppen niet op eenzelfde mechanistische, manipuleerbare manier over mensen zullen gaan denken. Uiteindelijk is dit de vraag of er, en zo ja, wat dan, iets overblijft als typisch menselijk.

Kinderen hebben tijdens hun ontwikkeling altijd al pas gaandeweg kunnen ontdekken wat het wezenlijke verschil is tussen mensen enerzijds en andere wezens en dingen anderzijds. Een zuigeling heeft daar werkelijk nog geen benul van, al vindt hij het nog zo heerlijk in vaders of moeders armen te liggen en niet in de wieg. De eerste schifting die in de loop van de tijd wordt gemaakt is die tussen levend en niet levend, waarbij overigens allerlei levenloze materie aanvankelijk tot het levende wordt gerekend. Dat komt doordat tot een jaar of zeven, acht "beweging' het criterium is om iets levend te vinden. Wolken zijn levend omdat ze voorbij drijven. Opvallend is dat voor de beweging psychologische verklaring wordt gegeven. De levende bal rolt van de trap omdat hij naar beneden wil.

Na acht jaar wordt in toenemende mate alles wat uit zichzelf beweegt als levend gezien. Wolken zijn niet levend, want de wind drijft ze voort. De bal beweegt alleen als je er een schop tegen geeft. En de psychologische verklaringen worden steeds meer vervangen door biologische. Levend is wat bloed heeft en ogen en geboren wordt, ademt, een vader en moeder heeft.

De Amerikaanse psycholoog Sherry Turkle heeft op basis van intensieve observaties en interviews op boeiende wijze beschreven hoe computergestuurd speelgoed en de computer waarmee je spelletjes speelt spelbreker zijn in deze ontwikkeling. Dat wil zeggen: ten aanzien van traditionele objecten als wolken en ballen is er niets veranderd, maar ten opzichte van de computer nemen de psychologische redeneringen om aan te geven dat dat ding "een beetje levend' is juist toe. Computers komen dus in de buurt van mensen. Precies zoals degenen die zich zorgen maken over de modernste pop vrezen.

Maar - en dat is belangrijk - in de aard van het computerbestaan worden toenemende verfijningen aangebracht. Misschien is hij dan wel een beetje levend, maar de kinderen lijken uit zichzelf de behoefte te hebben om te speuren naar verschillen met mensen. En het zijn dan de jongere kinderen die biologische argumenten aandragen en zeggen dat computers anders zijn omdat ze "in een fabriek worden gemaakt met draadjes en niet door een pappa in mamma's buik'. En na zo zo'n jaar of acht komen de psychologische nuances. De computer kan wel leren, maar niet zelf bedenken wat. Hij kan wel praten, maar alleen wat er is ingestopt. Hij wint wel vaak, maar niet met opzet. En als allerbelangrijkste: hij kan wel denken maar niet voelen.

In tegenstelling tot de angst dat computerkinderen ook mechanistisch en logisch over mensen zullen gaan denken gelooft Sherry Turkle dan ook eerder dat kinderen de irrationele emotionaliteit als typisch menselijk zullen uitzuiveren. En niet alleen kinderen, ook volwassenen neigen daar door hun toenemende automatiseringscontacten toe.

Sherry Turkle schreef dit acht jaar geleden en waarschuwde voor een vlucht in romantiek. Wie na een bezoek aan de speelgoedafdeling door de rest van een warenhuis wandelt, krijgt de indruk dat zij een zieneres was naar wie niet geluisterd is. Ik weet niet wat zorgelijker is. De computergestuurde pop voor het kind of de nep barokke en fin-de-siècle snuisterijen voor vader en moeder.