Betreft: Zwarte school

Vanmorgen vierden we voor u Sinterklaas op de Dukdalf, een basischool in de Rotterdamse wijk Feijenoord. Feijenoord telt het hoogste percentage inwoners van niet-Nederlandse afkomst in Rotterdam: 55,7 procent. U zult begrijpen dat dit zijn afspiegeling vindt op de scholen in de wijk. Van de 320 leerlingen van de Dukdalf zijn er 20 van Nederlandse afkomst. In totaal zijn er elf nationaliteiten.

Sinterklaas blijkt op deze school net zo ingeburgerd als op andere scholen, met dit verschil dat het feest voor de meeste leerlingen niet buiten de klaslokalen komt. De Sint arriveerde om half negen te paard op het schoolplein, waar hij luidkeels werd toegezongen. Even later moest een aantal moeders met zachte hand uit de school worden verwijderd: het feest was alleen voor de leerlingen. Dat de knecht van de Sint zwart is, blijkt door de ouders en kinderen op deze school beslist niet ervaren te worden als een vorm van discriminatie. Het geeft zelfs een soort herkenning. Het gegeven dat Sinterklaas officieel uit Turkije komt wordt op een school als deze gretig opgepakt.

Hoe gaat het verder met de culturele integratie op een zogenoemde "zwarte' school als deze? Veel politici en beleidsmakers gaan ervan uit dat alle allochtone kinderen taalproblemen hebben. Wie een ochtend op de Dukdalf rondloopt merkt dat zoiets in zijn algemeenheid niet gezegd kan worden. De aanwezigheid van veel Turkse kinderen op de school blijkt bijvoorbeeld nadelig voor hun taalontwikkeling te werken omdat het voor hen verleidelijk is onderling Turks te spreken. Dat probleem geldt echter nauwelijks voor Marokkaanse kinderen, omdat die groep kleiner is en er in Marokko verschillende talen worden gesproken.

Volgens met directeur A. Vermaat, die al twintig jaar op de Dukdalf werkt, duurt het tegenwoordig langer voordat buitenlandse kinderen Nederlands leren omdat hun aantal is toegenomen. Vermaat: “Vroeger hielden ze drie maanden hun mond en dan begonnen ze Nederlands te praten, nu houden ze het veel langer vol om alleen met landgenoten te communiceren.” Om zijn leerlingen - liefkozend spreekt hij over "die apen' - wat afleiding te bieden leidt Vermaat in zijn vrije tijd een handbalteam. “Een gewone sportclub is voor veel ouders te duur. Ik merk dat het belangrijk is voor die knulletjes dat ze van Nederlandse kinderen waardering ondervinden voor hun prestaties. We gaan nu voorzichtig proberen ook iets op te zetten voor meisjes.”

De Dukdalf is een Montessorischool. Vermaat: “De kinderen werken individueel en dat is met kinderen met zulke grote niveauverschillen een voordeel, want klassikaal zijn die nauwelijks op te vangen.” De Turkse en Marokkaanse kinderen krijgen 2,5 uur per week onderwijs in eigen taal en cultuur. Daarvoor heeft de school een Marokkaanse en twee Turkse leerkrachten, die ook een belangrijke rol spelen als tussenpersoon naar de ouders. Die lessen worden gegeven in de klas, waar de andere kinderen bij zijn. Vermaat: “Op die manier leren ze begrip te hebben voor elkaar.”

Adjunct-directeur S. Bishoff wil wel kwijt dat volgens haar “zeer persoonlijke mening” het onderwijs in eigen taal en cultuur “een beetje zonde van de tijd” is. “Het is opgezet om allochtonen zelfvertrouwen te geven en hen voor te bereiden op terugkeer naar eigen land. Nu weten we beter en gaat het af van de kostbare tijd die we hard nodig hebben bij deze leerlingen.”

Door de achterstand van veel kinderen is het werk op deze school zwaar. Bishoff: “Je bent net een wandelend woordenboek”. Het is volgens haar totaal onmogelijk wat er allemaal van het onderwijzend personeel geëist wordt: “Dat we letten op gezondheid, Engels geven, noem maar op.” Daarbij komt nog eens het feit “dat hier niets vanzelf gaat: je kunt niet zomaar een briefje meegeven voor de ouders. Nee, dat moet eerst worden vertaald èn aan de kinderen worden uitgelegd die het verhaal dan mondeling kunnen doen, want veel ouders zijn ook in hun eigen taal analfabeet en hebben dus ook niets aan een vertaald briefje.” Maar het is volgens haar ook dankbaar werk, “omdat de kinderen zo schattig zijn.” Ordeproblemen zijn er bovendien maar weinig, want de kinderen zijn thuis nog gezag gewend. “Bovendien zijn ze nog blij met dingen, ze hebben niet allemaal een tv op hun kamer.”

Grote botsingen tussen de culturen zijn tot nu toe uitgebleven op de Dukdalf. Vermaat: “Het dragen van hoofddoekjes is hier niet verboden. We laten wel blijken dat we het liever niet hebben, maar doen dat spelenderwijs, zo van: goh, en je hebt zulke mooie haren.” Het contact met de ouders is meestal zeer vriendelijk. De "ouderparticipatie' (leesmoeders, hulp bij schoolreisjes) lukt echter maar matig. Bishoff: “Maar ja, als jouw voornaamste probleem is hoe er brood op de plank komt, staat je hoofd echt niet naar vrijwilligerswerk.” Met gepaste hoogachting,