Arbeidsmarktscanner voor het hoger onderwijs

Wie direct na zijn universitaire studie veel geld wil verdienen, hoeft zijn heil niet per se in het particuliere bedrijfsleven te zoeken. Men betaalt daar niet beter dan bij de overheid. Wel is het zinnig zich op grote organisaties te richten; bij middelgrote en kleine organisaties valt het grote geld niet te halen, althans niet door pas afgestudeerden.

Dit zijn bevindingen van een groep onderzoekers verenigd in het ROA, het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt. Voor alle duidelijkheid: de conclusies gelden niet voor alle academische studies en evenmin voor het hele land. Het rapport waarin ze staan vermeld bestrijkt alleen de afgestudeerden van de jaren 1986 tot en met 1989 aan de Rijksuniversiteit Limburg. Het ROA, een zelfstandig onderzoeksinstituut dat is gelieerd aan de Maastrichtse economische faculteit, heeft een "arbeidsmarktscanner' ontwikkeld die nu voor het eerst systematisch is toegepast. Opdrachtgever was de Limburgse universiteit, die - jong en daardoor behept met de drang zich te bewijzen - nieuwsgierig was naar de prestaties van haar alumni.

De scanner zelf is in opdracht van het ministerie van onderwijs en wetenschappen ontworpen, uit zorg over de vaak gebrekkige aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Met een informatiesysteem dat precies kan volgen ("scannen') wie waar terecht komt en hoe het verdere verloop van de carrière eruit ziet, moet het op een gegeven moment mogelijk zijn om prognoses op het niveau van studierichtingen te leveren, waarmee zowel onderwijsinstellingen als de overheid hun voordeel zouden kunnen doen.

Het Maastrichtse onderzoeksinstituut heeft al eerder meegewerkt aan projecten waarbij de loopbaan van schoolverlaters in kaart werd gebracht. Daarbij werd gewerkt met één peildatum, een jaar na het verlaten van de opleiding. Dat is een belangrijk verschil met de arbeidsmarktscanner die nu is geïntroduceerd. Na de eerste peiling met een uitgebreide vragenlijst volgen jaarlijkse herhalingen, waarbij veranderingen kunnen worden aangegeven.

Het belangrijkste instrument van de scanner is de basisvragenlijst. Naast persoonlijke gegevens (leeftijd, geslacht) worden daarin gerichte vragen gesteld over het onderwijsverleden van afgestudeerden, inclusief aanvullende opleidingen of cursussen die na de studie zijn gevolgd. Het leeuwedeel van de vragen betreft echter de functie(s) die men is gaan bekleden. Daarbij wordt geïnformeerd in hoeverre die aansluit op de gevolgde studie, hoe (en hoe snel) men de baan bemachtigd heeft, of die vast of tijdelijk is, of het een leidinggevende functie betreft of hoe hoog het salaris is. Ook over de arbeidsorganisatie worden gegevens verzameld. Al met al moeten de antwoorden een beeld opleveren van de positie die de afgestudeerden op de arbeidsmarkt innemen.

Noodgedwongen zijn de resultaten van het eerste Limburgse onderzoek van beperkte waarde. Men heeft alleen kunnen kijken naar de juristen, basisartsen, gezondheidswetenschappers en economen die in de vier jaar tussen 1986 en 1989 in Maastricht zijn afgestudeerd. De enig mogelijke vergelijking is daarom die tussen zeer ongelijksoortige studierichtingen. Niet dat dat geen aardige resultaten oplevert. Zo blijkt het heel wat profijtelijker om als arts op de markt te komen dan als jurist of gezondheidswetenschapper. Zij verdienen niet alleen meer, artsen krijgen ook sneller een baan die in het verlengde ligt van hun opleiding. Afgestudeerden in de gezondheidswetenschappen, een nieuwe studie in Nederland, doen er langer over om werk te vinden, terwijl juristen in dat opzicht de kroon spannen. Na een jaar is veertig procent van hen nog steeds werkloos.

Maar doen Maastrichtse juristen het slechter dan Leidse of Groningse? Voorlopig weten de onderzoekers dat niet, omdat landelijke gegevens ontbreken. De enige universiteit die systematisch de loopbaan van haar alumni volgt is de Landbouwuniversiteit Wageningen, maar die doet dat slechts eens in de vijf jaar. Verder onderneemt hier en daar een faculteit het een en ander op dit vlak, maar de wijze waarop dat gebeurt maakt vergelijking van de gegevens meestal onmogelijk.

Waar het ROA uitdrukkelijk aansluiting zoekt bij internationale definities van bijvoorbeeld werkloosheid of bij internationaal geaccepteerde functie-classificaties, is dat elders niet vaak het geval. Ook schort het nogal eens aan minimale eisen van representativiteit of actualiteit van de gegevens. De arbeidsmarktscanner zal dus zijn nut pas echt kunnen bewijzen als hij landelijk wordt toegepast. Pas als alle universiteiten meedoen zal het mogelijk zijn op het niveau van studierichtingen of zelfs afstudeerrichtingen conclusies te trekken.

Ook voor de universiteiten zelf zou dat aantrekkelijk kunnen zijn. Met goede en actuele databestanden over de afgestudeerden zal het gemakkelijker worden om de opleiding aan te passen aan de eisen van de arbeidsmarkt. Ook voor de kwaliteitsbewaking van het onderwijs kan de scanner zijn diensten bewijzen. Alleen al de adressenbestanden bieden legio mogelijkheden om een eigen "alumnibeleid' te voeren. Men kan gericht een blad toesturen dat de band met de alma mater warm moet houden, de behoefte aan aanvullend post-academisch onderwijs kan worden gepeild, desnoods kan er gericht aan fundraising worden gedaan.