Allahs soldaten staken strijd tegen het Westen

Nog maar vijf jaar geleden waren de leiders van de Islamitische Revolutie in Iran ervan overtuigd dat zij uiteindelijk de strijd op leven en dood met het verfoeilijke Westen zouden winnen. Het Westen werd geleid door de Grote Satan (Amerika) en in zijn dienst voerde de Kleine Satan (Saddam Hussein) oorlog tegen de islam en tegen de Islamitische Republiek Iran.

Maar Satan was niet almachtig. Uiteindelijk had hij geen antwoord “op de strijd die de Krachten voor God en Gerechtigheid voeren”. Het was een absolute geloofsplicht om “de Kruis-aanbidders en de joden die hen in het geniep leiden” te verslaan. “Want zij hebben maar één doel voor ogen: de islam te vernietigen, de enige, ware godsdienst.”

Nadat de Islamitische Revolutie in Iran bijna 13 jaar geleden een zege zonder weerga had behaald op de Krachten van het Kwaad, gepersonificeerd in de sjah en zijn Westerse beschermers, toonden de ontwikkelingen in het Midden-Oosten dat het Westen veel minder macht had dan de wankelmoedigen hadden gedacht. De Islamitische Revolutie kwam tot de conclusie dat als de Krachten van de Islam zich maar bundelden en bereid waren hun leven te geven de tegenpartij een papieren tijger was.

Haar kwetsbaarheid kwam na de val van de sjah eens te meer aan het licht toen in april 1980 de Amerikaanse commando-actie om de gevangen spionnen in het "spionagenest van de Arrogantie' (de gegijzelden van de Amerikaanse ambassade in Teheran) te bevrijden, op een smadelijke mislukking was uitgelopen.

Ook het verloop van de oorlog die de Kleine Satan op last van zijn meester tegen de Islamitische Republiek Iran had uitgelokt, toonde aan dat God aan de kant van Zijn getrouwen stond. En dat de zionistische vijand zich in 1985 uit het overgrote deel van Libanon terugtrok, was niet in de laatste plaats te danken aan de heroïsche opofferingsgezindheid van de gelovigen.

Geen wonder dat al die ontwikkelingen miljoenen moslims - en vooral de shi'ieten - met trots vervulden. Zij verschaften met name in het totaal verscheurde Libanon, waar iedereen met iedereen op voet van oorlog was, een rijke voedingsbodem aan velerlei lieden die naar Gods zegen en-of naar geld en avontuur uitkeken. Onder die omstandigheden werd in Libanon Hezbollah, de Partij van God, geboren.

In Iran bestond Hezbollah al sinds lange tijd, zij het in minimale en sluimerende toestand. Nadat in februari 1979 het regime van de sjah was weggevaagd, werd Hezbollah op last van imam Khomeiny nieuw leven ingeblazen. Aan dat bevel werd pas in 1982 echt vorm gegeven toen Khomeiny alle islamitische strijdgroepen opdroeg om met Hezbollah samen te smelten.

In datzelfde jaar 1982 kwam ook Hezbollah in Libanon van de grond, op aandrang van al die sjeiks en mullahs die nauw contact hadden met imam Khomeiny. Nadat Israel de PLO uit Libanon had verjaagd en daarmee de Palestijnse staat in Libanon had vernietigd, was voor de Libanese shi'ieten het moment aangebroken om zich tegen de nieuwe christelijke overheersing, die hen bedreigde, te verzetten - een overheersing die nota bene mogelijk was geworden door toedoen van de joden.

Hezbollah baseert zich in wezen slechts op twee principes. Men moet bereid zijn martelaar voor Allah te worden, waardoor men zich verzekert van een voorkeursbehandeling door God en een zeer speciale plaats in het hemelse paradijs. En men moet zonder reserves het absolute leiderschap aanvaarden van de geestelijke leider van de beweging, omdat hij naar beste weten Gods wil op aarde vertolkt.

In het begin van die glorieuze jaren tachtig was imam Khomeiny de onbetwiste leider van de Islamitische Revolutie, die zelfs “het islamitische Spanje” weer zou heroveren. De Islamitische Revolutie zou een eind maken aan de agressie en aan het onrecht van het Westen en zijn dienaren, de pseudo-moslims. De strijd die men daarvoor moest voeren, diende onbarmhartig te zijn omdat men Satan anders niet kon bedwingen.

In het kader van die strijd werden vanaf 1984 in het inmiddels totaal verloederde Libanon traditionele middelen aangewend om nieuwe doelen te bereiken: voor het eerst werden niet meer alleen de aanhangers van een vijandige groepering in Libanon gegijzeld, maar ook buitenlanders die tot dan als gasten waren beschouwd en dus als onaantastbaar.

De Amerikaanse diplomaat William Buckley, in werkelijkheid hoofd van de CIA in Libanon, werd als eerste gepakt. Hij werd door de militaire arm van Hezbollah, Jihad Islami, op 16 maart 1984 gekidnapt. Hij gaf na maandenlange martelingen alle geheimen prijs, waarvan hij op de hoogte was. Jihad Islami filmde de martelsessies en stuurde per post de banden naar de CIA in Washington. De gefilmde scenes waren zo verschrikkelijk, dat de Amerikaanse regering alles op alles zette om Buckley te redden en - zo nodig - vrij te kopen.

Daarmee begon het Iran-contra-schandaal, de pogingen van het Witte Huis om Amerikaanse gijzelaars in Beiroet met geheime wapenzendingen naar Iran los te kopen. Vijftien maanden na zijn gevangenneming stierf Buckley als gevolg van de martelingen.

Na hem zouden nog andere Westerse gijzelaars - geen spionnen, maar gewone burgers - door hun ontvoerders worden vermoord. Op 17 april 1986 werden bij voorbeeld de lijken gevonden van twee ontvoerde Britten en één ontvoerde Amerikaan. De groep van de beruchte terrorist Abu Nidal liet weten dat de drie, die alle met het onderwijs in Libanon te maken hadden, waren gedood om de Amerikaanse bombardementen op Libië te wreken.

Voor Libanon was dat allemaal niets bijzonders. Tijdens de maar niet eindigende burgeroorlog was het normaal geworden - en is het nog steeds, want in overeenstemming met de tradities - om aanhangers van de tegenpartij, ook al waren die geen militairen of militiamannen, willekeurig van de straat te pakken, zodra de spanningen toenamen. Men schat dat tijdens de burgeroorlog meer dan 50.000 Libanezen werden gegijzeld en dat zeker 5.000 Libanese gijzelaars door hun landgenoten werden vermoord, soms op de meest beestachtige wijze. Niet omdat ze wat misdaan hadden, maar bij wijze van wraak of afschrikking, of omdat de familie het geëiste losgeld niet kon opbrengen.

De meeste Westerse gijzelaars werden opgepakt om specifieke doelen af te dwingen. Men wilde hen als ruilmiddel gebruiken om kameraden die in het buitenland wegens terorisme waren gearresteerd, vrij te krijgen. Vaak hoopte men een nieuwe buitenlandse politiek af te dwingen.

De Organisatie voor de Verdrukten op Aarde gijzelde een aantal mannen uit de joodse gemeenschap in Libanon, die nog maar minder dan honderd leden telde. De Verdrukten op Aarde beloofden dat zij de gijzelaars in leven zouden laten als Israel zich helemaal uit Zuid-Libanon zou terugtrekken. Toen Israel niet aan die voorwaarde voldeed, werden negen van hen afgemaakt. Westerse gijzelaars werden door een eveneens gegijzelde joodse arts verzorgd, die hun vertelde dat ook hij binnenkort om het leven zou worden gebracht. Hetwelk geschiedde.

Jarenlang vormden de gijzelaars een uitstekende belegging voor de groepen die hen hadden opgepakt. Als de gijzelaars niet tegen geld, wapens, politieke concessies of in Europa gevangen kameraden werden geruild, vormden zij altijd nog een waardevolle politieke boodschap dat Allahs soldaten een macht van formaat waren.

Het was geen loze boodschap omdat Hezbollah, de paraplu-beweging voor al die clubs met prachtige namen die zich van Westerse gijzelaars meester hadden gemaakt, rijke en machtige beschermers had. De Islamitische Republiek Iran verstrekte Gods zegen en de financiële middelen voor de operaties van Hezbollah. De beweging en haar sub-groepen hadden echter nooit zo effectief kunnen opereren als zij niet van Syrië de noodzakelijke politiek-militaire rugdekking hadden gekregen.

Maar de afgelopen drie jaar kregen de Hezbollah-leiders zowel vanuit Teheran als vanuit Damascus aanwijzingen dat men de strategie moest wijzigen. De Islamitische Revolutie bleek uiteindelijk toch niet in staat te zijn Saddam Hussein op de knieën te krijgen. Iran was door de oorlog zo verzwakt, dat imam Khomeiny in juli 1988 naar eigen zeggen werd gedwongen “de gifbeker te drinken” - ofwel zich akkoord te verklaren met een wapenstilstand in de oorlog tegen Irak, die Saddam niet had verslagen.

Vervolgens trok de Sovjet-Unie, het onvervangbare contragewicht tegen de VS, zich uit het machtsspel van het Midden-Oosten terug. Dat betekende zowel voor Iran als voor Syrië dat de vijand in het Witte Huis in Washington te machtig was geworden en dat men dus met hem moest meespelen. De Tweede Golfoorlog die Saddam Hussein begin dit jaar uitlokte, bewees opnieuw dat Amerika een tijger met levensgevaarlijke tanden en klauwen was.

Deze politiek-strategische veranderingen in het Midden-Oosten leidden tot een herwaardering van de gijzelaars. Zij waren niet langer een goede belegging. Hun aanwezigheid belemmerde juist de noodzakelijk geworden verbeterde betrekkingen met het Westen.

Het blinde, anti-Westerse terrorisme - die unieke combinatie van machtspolitiek en geheime diplomatie - is zowel voor de uitvoerders als voor hun opdrachtgevers en beschermers niet langer winstgevend. De boodschap die de laatste vrijgelaten Amerikaanse gijzelaar Terry Anderson namens Jihad Islami moest voorlezen, sprak boekdelen. Jihad Islami sprak opnieuw over de misdadige politiek van Amerika en Israel, en kondigde de noodzakelijke verdwijning van Israel aan.

Maar door officieel de bevrijding van de Westerse gijzelaars los te koppelen van de gevangenenruil tussen Israel en Jihad Islami hebben Allahs Soldaten impliciet laten weten dat zij voorlopig de strijd tegen het Westen, exclusief Israel, hebben gestaakt.