"Zelden zijn er waterdichte bewijzen, dat hoort bij klimmen'

EEMNES, 4 DEC. Zeven jaar geleden stond Bart Vos (40) als eerste Nederlander op de top van de Mount Everest. Dat is de heersende mening in de wereld van het internationale bergbeklimmen. Toch wordt er hier en daar getwijfeld aan het volbrengen van die prestatie. Zoals ook de eerste beklimming van de hoogste berg ter wereld (8.848 meter) in 1953 door de Nieuw Zeelander Edmund Hillary en sherpa Tenzing volgens sommigen nooit is bewezen.

“Bergbeklimmers accepteren gewoon dat er zelden waterdichte bewijzen zijn”, zegt Vos. “Dat hoort bij de sport.” Daarom beroerde het hem emotioneel zeer toen in maart van dit jaar het tijdschrift "Himalaya' het vuurtje van de twijfel oprakelde rond zijn prestatie. Zaterdag 19 oktober volgde De Telegraaf die zonder enig voorbehoud vaststelde dat nog nooit een Nederlandse Everest-expeditie succesvol was.

Dat laatste gebeurde in een artikel waarin werd aangekondigd dat een Nederlandse expeditie volgend jaar tussen 22 maart en 19 mei een poging zal doen “zoveel mogelijk Nederlanders op de Mount Everest” te brengen. Een verslaggever van de krant zal de klimmers vergezellen. Leider van de expeditie is Ronald Naar op wiens visies het artikel van 19 oktober voornamelijk was gebaseerd.

Voor Bart Vos was de achteloze diskwalificatie van zijn prestatie reden een kort geding aan te spannen tegen De Telegraaf. Samen met vijf van zijn teamgenoten uit 1984 eiste hij dat het ochtendblad een tekst zou opnemen van F.H. Schreve, oud-voorzitter van de Nederlandse Sport Federatie en in 1984 voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Alpen-Vereniging. In die functie was hij een van de mensen die in Kathmandu (Nepal) na het succes van Bart Vos de geleverde prestatie verifieerde aan de hand van interviews met de expeditieleden onder wie ook de sherpa's.

In het kort geding vorige week woensdag kwamen de partijen, na bemiddeling door de rechter, mr. Asscher, tot overeenstemming: De Telegraaf zou een ingekorte versie van de tekst van Schreve opnemen. De partijen werden het later echter toch niet eens. Schreve stelt in zijn tekst dat in de krant "twijfel wordt gezaaid over het succes van Bart Vos'. Hij vervolgt dan: “Dat is betreurenswaardig, niet verstandig en zeker niet sportief, te meer daar bovendien de indruk wordt gewekt, dat door belanghebbenden uit de aanstaande expeditie zelf bepaalde veronderstellingen worden gevoed.” Die laatste zin weigert het ochtendblad op te nemen. Namens Vos en de andere leden van de expeditie in 1984 heeft mr G.J. Kemper nu verzocht alsnog vonnis te wijzen.

“Het gaat me er niet om of iemand zegt dat ik die top niet heb gehaald”, reageert Bart Vos. “Het gaat hier over fatsoen. Het zal mij een zorg zijn of iemand mij gelooft of niet, maar binnen de sport is de registratie van mijn beklimming normaal en geaccepteerd. Als je bij iedere beklimming absolute en waterdichte eisen gaat stellen, dan is de sport kapot.

“In hoeverre zijn historische gebeurtenissen plausibel. De slag bij Waterloo, het bestaan van Jezus? Als ik nu zou beweren: ik ben niet op de top geweest, dan staan er waarschijnlijk mensen op die zeggen: "ja dat kan hij nou wel zeggen, maar hij is er wel degelijk geweest'.”

Op één geval in de rijke geschiedenis van de berg is die absurde variant wellicht van toepassing. Het imponerende naslagwerk "Everest' van Walt Unsworth beschrijft (pagina 519) een falende Nieuw-Zeelandse expeditie uit 1988. De groep had een klimvergunning voor de zuid-route. Na de mislukking waagde de professionele klimster Lydia Bradey van die expeditie nog een poging via de zuid-oost flank. Zij slaagde volgens een aantal bronnen, maar Bradey heeft die prestatie nooit durven claimen uit angst levenslang te worden verbannen uit Nepal omdat zij de beperkende klimvoorschriften van de overheid had overtreden.

Elisabeth Hawley is correspondente van het persbureau Reuter, standplaats Kathmandu. Zij registreert met name alle gebeurtenissen die verband houden met het beklimmen van 's werelds hoogste berg. “Ik heb maar weinig mensen gesproken die later met plezier terugkeken op de beklimming van de Everest”, is een bewering die haar wordt toegeschreven. “Daarvoor is er meestal te veel gedoe geweest.”

Het gedoe rond de prestatie van Bart Vos werd, kort na terugkeer van de expeditie in Kathmandu, in de wereld gebracht door Han Timmer de veronderstelde beste klimmer van het team. In zijn "Himalaya Dagboek', uitgegeven in 1988, schrijft Vos hierover: “Vier dagen voor ons vertrek uit Kathmandu zei Han dat de verslaggever van Dick Bass' team (een Amerikaanse groep die zonder vergunning de Nederlanders op de Everest danig in de weg had gezeten, red.) me een paar vragen wilde stellen. Han had hem een paar keer ontmoet en de man had een van de Slowaakse topbeklimmers, die een week na Vos op de top kwamen, gesproken. Bij het gesprek met Han en die Amerikaan begonnen de suggesties dat ik de top niet zou hebben bereikt.

Bart Vos werkt nu op de marketting afdeling van een grote computerfirma. Klimmen doet hij in de vrije tijd. “Ik ben nu een aantal keren in Nieuw-Guinea geweest, heb daar alle toppen van Tropisch Nederland beklommen, daarover ben ik een boek aan het schrijven: "In het voetspoor van Colijn'. De zoon van de minister-president schreef in 1937 "Naar de eeuwige sneeuw van tropisch Nederland'. Dat ging over een expeditie die hem naar de hoogste toppen van ons koninkrijk (tot 5000 meter), midden in de jungle, hadden gevoerd. In vier reizen, bij elkaar zo'n twintig weken, reisde Vos door de voormalige Nederlandse kolonie. Vorig jaar liep hij alleen door de jungle van dorp naar dorp. “In gebieden waar de missie niet zit en waar de Indonesiërs niet durven te komen omdat ze daar te veel kwaadaardigs hebben aangericht. Je hebt altijd je blanke huid als bescherming. Als je mensen hoort als je door een rivierbedding loopt, leg je wat tabak neer. Je trekt je terug en ze komen het halen. Dat is een soort verbroedering en acceptatie.”

Hoe kijkt hij nu terug op zijn beklimming van de Mount Everest?

“Daar ben ik fysiek over de grens gegaan van wat ik eigenlijk toelaatbaar vind. In de Alpen heb ik ook weleens voor mijn leven moeten vechten, maar daar wist ik: dit red ik. Op de top van de Everest liep ik teveel risico, ik was te zeer uitgeput. Als ik die omstandigheden in de Alpen was tegengekomen, was ik omgekeerd. Omdat je zo vaak hebt geklommen, zijn bepaalde handelingen mechanisch geworden. Je bent een soort robot, zeker op die hoogte. Ik had niet de verbetenheid om per se op die top te komen, ook de legitimatie van "het moet vanuit Nederland', was heel ver weg.”

Wat was dan nog je motivatie?

“Als ik op die top ben is het over, dan mag ik terug.”