Taiwan wapent zich tegen "vereniging'

Taiwan en de Volksrepubliek China hebben nog altijd een getroebleerde relatie. Het onderlinge wantrouwen is groot. Levering van Nederlandse onderzeeërs aan Taiwan zal in Peking slecht vallen.

Levering van Nederlandse onderzeeërs aan Taiwan zal de relatie tussen Nederland en de Volksrepubliek China andermaal verslechteren. “Het blijft een gevoelige zaak”, zegt dr. Chen Charng-ven, secretaris-generaal van de Straits Exchange Foundation (SEF) in Taipei.

De SEF is een niet-gouvernementele organisatie die verbetering van de banden tussen China en Taiwan nastreeft. Het Nederlandse handelskantoor in de Taiwanese hoofdstad Taipei noemt de stichting een orgaan voor het particuliere bedrijfsleven “dat namens Taiwan als gesprekspartner met de Chinese autoriteiten kan optreden, en kan bemiddelen in geval van handelsgeschillen en conflicten”.

Chen, gespecialiseerd in politiek en juridisch complexe affaires, kan als weinigen de implicaties taxeren van militaire levering aan Taiwan. De zaak is voor Nederland weer actueel sinds bekend werd dat een Taiwanese delegatie afgelopen zomer de Rotterdamse marinewerf RDM bezocht.

Chen was tien jaar geleden als advocaat voor de Taiwanese autoriteiten nauw betrokken bij de aankoop van twee Nederlandse onderzeeërs. (En nu? “Geen commentaar.”) Die transactie leidde tot een heftige reactie van Peking, dat Taiwan als een afvallige provincie beschouwt. De Chinezen trokken hun ambassadeur terug uit Den Haag. Nederlandse bedrijven bemerkten een terugval in hun zakelijke contacten met China. Pas toen de Nederlandse regering de Chinese overheid in 1984 beloofde geen vergunning meer te verlenen voor verdere levering van wapens aan Taiwan, kwam het tot een normalisering van de verhoudingen.

De geleidelijke verbetering van de betrekkingen tussen Taiwan en China sluit een mildere reactie echter niet uit, meent dr. Ma Ying-jeou, vice-voorzitter van de Mainland Affairs Council, de aan het Taiwanese kabinet gelieerde raad voor de betrekkingen met de Chinese Volksrepubliek. Ma is een belangrijke functionaris binnen de regerende Kwomintang.

Hoewel China de Taiwanese autoriteiten in oktober nog dreigde met geweld wegens hun weigering mee te werken aan een vreedzame hereniging, is de houding van de Volksrepubliek tegenover Taiwan zelfs op militair gebied aan verandering onderhevig, aldus Ma. Hij baseert dit op een recente publikatie in het Chinese tijdschrift Outlook. Daaruit valt af te leiden dat de Volksrepubliek Taiwan meer speelruimte gunt. Volgens het blad zou Taiwan "na de integratie' met China zijn strijdmacht en wapens mogen behouden.

Ma zegt niet te weten in hoeverre de in Outlook geschetste lijn het denken weerspiegelt op Chinees topniveau, maar volgens hem is de situatie anders dan tien jaar geleden. De Franse levering van fregatten, waartoe onlangs een overeenkomst met Taiwan werd gesloten zonder dat de Chinezen ingrijpende sanctiemaatregelen troffen, beschouwt hij als een teken aan de wand.

Cheng wijst er echter op dat de officiële verhouding tussen de autoriteiten in Taipei en Beijing nog steeds vijandig is. Zelfs al zou Ma's interpretatie juist zijn, dan is de mededeling via Outlook nog van weinig waarde. “Als Beijing spreekt over "integratie', dan bedoelt ze vereniging onder haar voorwaarden. En daar geloven wij niet in. Wij hebben in Taiwan niet alleen de zorg voor 21 miljoen mensen, maar ook voor de 1,2 miljard Chinezen op het vasteland die democratie nodig hebben en economische vooruitgang.”

En de Franse transactie dan? Volgens Chen mag Nederland zich daaraan niet spiegelen: “De Fransen (die in China betrokken zijn bij belangrijke economische projecten, red.) kunnen uitgaan van hun eigen kracht. Nederland verkeert niet in een zelfde positie.”

Pag. 22:

"We maken duikboten straks zelf'; Onderzeeboten leveren zonder wapensystemen is geen waarschijnlijke optie

De China Kamer van het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering in Den Haag uitte onlangs zijn vrees voor hernieuwde export van militair materieel naar Taiwan. Dat zou, meent ook de Kamer, de relatie met China opnieuw onder druk zetten en Nederlandse bedrijven ter plekke in problemen brengen.

Officieel zijn de Chinezen mordicus tegen elke militaire levering aan Taiwan en doen ze alles om het eiland ook in politiek opzicht in een internationaal isolement te houden. Even officieel trouwens wil Taiwan niet bevestigen dat het met Frankrijk een akkoord heeft bereikt over de levering van fregatten. “Maar het heeft niet veel zin dat het ministerie van defensie dit ontkent, als er in heel Europa over wordt gediscussieerd”, meent Ma.

De verhoudingen tussen Taiwan en China zijn de laatste jaren minder gespannen. Sinds 1988 mogen Taiwanezen bij voorbeeld naar China reizen, hoewel er geen rechtstreeks post-, vracht- of personenverkeer mogelijk is. De Taiwanezen die sindsdien met honderdduizenden via het nabijgelegen Hongkong (familie) de Volksrepubliek hebben bezocht, zijn inmiddels grote investeerders in het land geworden. Als uitvloeisel van de verbeterde verhoudingen beëindigde Taiwan een half jaar geleden de staat van oorlog met China, waarin het 43 jaar verkeerde.

Volgens Ma en Chen is de Taiwanese interesse in militair materieel louter defensief. Regeringsbeleid is te streven naar vereniging met China vanuit een positie van sterkte. Zo'n opstelling zou de stilzwijgende instemming moeten hebben van een Chinese Volksrepubliek zonder kwade bedoelingen. Daarbij geeft Ma impliciet te kennen dat de Chinezen als puntje bij paaltje komt, toch niet kunnen voorkomen dat Taiwan zich geavanceerd wapentuig als onderzeeërs verschaft. “Het is een kwestie van tijd voor we het zelf kunnen. Ook in Oost-Europa kan je veel kopen. De techniek krijgen we in ieder geval. We hebben er zes, zeven jaar over gedaan voordat we ons eigen gevechtsvliegtuig konden bouwen, maar we hebben het gedaan.”

De bereidheid tot militair-technologische ondersteuning van Taiwan mag niet worden onderschat, meent Ma. “De populariteit van China is op een ongekend dieptepunt. En ook de handelsrelaties met de Volksrepubliek vertonen fricties. Ik wil niet zeggen dat Europese regeringen ongevoelig zijn geworden voor de reacties van China, maar ze zijn wel minder gevoelig.”

In hoeverre dat opgaat voor de Nederlandse regering, laat zich vooralsnog raden. In augustus verklaarde staatssecretaris Van Rooy van economische zaken nog op vragen van het Kamerlid Rosenmöller dat er geen enkele reden was het - door Buitenlandse Zaken ingegeven - Nederlandse standpunt over levering van onderzeeërs aan Taiwan te herzien. Dat weerhield de delegatie van de staatswerf China Shipbuilding Corporation in Kaohsiung in ieder geval niet van het eerder genoemde bezoek aan Nederlands enige bouwer van onderzeeërs, de RDM. Van deze werf is bekend dat ze, na voltooiing van de laatste vier Walrusonderzeeërs voor de Nederlandse marine, noodgedwongen zal moeten overschakelen op civiele produktie. Een marine-opdracht uit het buitenland zal die overgang, zo stelden ook de vakbonden, zonder twijfel vergemakkelijken.

Tegen de achtergrond van Franse leveranties, lagere populariteit van China, nooddruft van de RDM en relatief intensieve handelsrelaties met een democratiserend Taiwan, is begrijpelijk dat ook in politiek Den Haag stemmen opgaan om het Nederlandse exportverbod op wapenleveranties aan Taiwan nog eens onder de loep te nemen. Of dat betekent dat Nederland straks weer onderzeeërs aan Taiwan levert, is allerminst duidelijk. De China Shipbuilding Corporation is een moderne werf, die met veel overheidssteun overeind wordt gehouden.

Mogelijk is ze in staat zelf, met Nederlandse technologische ondersteuning, onderzeeboten te bouwen. Voor de RDM, of Wilton-Fijenoord (dat zelf geen marineschepen meer bouwt, maar de helft bezit van de rechten op het ontwerp van de twee onderzeeërs voor Taiwan), zit er dan minder in het vat dan de één miljard gulden die een moderne onderzeeër kost. De kostbare kennis van ontwerp en bouw blijft zo echter wel behouden en levert ook nog geld op.

Inmiddels wordt op Economische zaken bekeken hoe onderzeeboottechnologie naar Taiwan kan worden geëxporteerd zonder de afspraken met de Chinezen te schenden. Onderzeeboten leveren zonder wapensystemen lijkt geen waarschijnlijke optie, omdat iedereen wel inziet dat de vaartuigen niet voor visvangst zullen worden ingezet. Gemakkelijker is dan levering van (RDM-)mensen met actuele kennis. Taiwan is al gedeeltelijk eigenaar van de bouwtekeningen van Wilton-Fijenoord, het concept met kennis van Nederlanders in Taiwan aanpassen en uitvoeren valt nauwelijks te beletten. De RDM zou bovendien moeilijk militair te noemen componenten (platen, bouten, moeren) zonder problemen kunnen leveren.

Een veeg teken voor Nederlandse rekkelijkheid is dat directeur-generaal drs. F.A. Engering van Economische Zaken onlangs Taiwan bezocht voor besprekingen over de wederzijdse handelsrelatie. Hij deed dat als "privé-persoon', want Nederland heeft geen officiële binding met het land. Taiwan interpreteerde diens bezoek overigens als een diplomatieke overwinning. Nederland zal dat maar moeilijk kunnen ontkennen nu ook bekend is dat minister Van Rooy volgend jaar Taiwan bezoekt.