Positie Stavenhagen raakte steeds verder ondermijnd

BONN, 4 DEC. Lutz Stavenhagen lag al geruime tijd zwaar onder vuur van de oppositie. De CDU, zijn eigen partij, steunde hem niet meer zo hartelijk. Hij had niet zoveel zin meer en zijn gezondheid liet ook nog te wensen over, zo heette het voorts. Als eerstverantwoordelijke politicus voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de Bondsrepubliek had hij de afgelopen jaren bovendien slechts veel kommer en kwel te melden gehad. Want in de echte wereld van “cloak and dagger” waren de Westduitsers veel minder goed dan John le Carré en Len Deighton dachten.

Kortom, het aftreden, gisteren, van de 51-jarige kanselarij-onderminister sloeg bepaald niet in als een bom. Kanselier Helmut Kohl aanvaardde zijn ontslagverzoek direct en prees hem in termen van minimale beleefdheid voor zijn werk als “staatsminister” (van '85 tot '87 op Buitenlandse Zaken, nadien in de kanselarij). Kohl zal volgende week een opvolger aanwijzen.

Wolfgang Schäuble, sinds vorige week CDU-fractieleider in de Bondsdag, had voor Stavenhagens afscheid een verklaring van twaalf regels over. Hij bedankte hem aardig voor zijn “steeds behulpzame (hilfreiche) werk” en nam overigens “met respect” kennis van Kohls besluit om de ontslagaanvraag te aanvaarden.

De oppositionele fracties van de SPD en Bündnis '90 noemden Stavenhagens aftreden “te laat”. Zij willen graag wat meer politiek bloed zien, de SPD het liefst dat van minister van defensie Gerhard Stoltenberg (CDU), Bündnis '90 richt zijn kleine pijlen zelfs verontwaardigd (maar kansloos) op kanselier Kohl zelf.

Na de Duitse eenwording op 3 oktober 1990 was onthutsend duidelijk geworden, onder meer uit verhoren en vrijwillige verklaringen van vroegere Oostduitse agenten, hoe weinig de Westduitse inlichtingendiensten er in vergelijking met die van de DDR van hadden terechtgebracht. Pijnlijk duidelijk geworden was ook dat die Westduitse diensten op alle niveaus waren geïnfiltreerd door DDR-agenten. Als politiek “coördinator” van de inlichtingendiensten liep Lutz Stavenhagen daardoor “wegens gisteren” aan de lopende band schade op.

Alsof dat nog niet genoeg was, was Stavenhagen óók nog eens in de problemen geraakt in: 1) de slepende affaire rondom het Westduitse paspoort van Alexander Schalck-Golodkowski, de man die in de vroegere DDR staatssecretaris was en via zijn geheimzinnige imperium “Koko” (Kommerzielle Koördinierung) Honeckers staat aan de broodnodige deviezen hielp, en 2) de pijnlijke kwestie van de als “landbouwmachines” omschreven Sovjet-wapens uit Oostduitse legervoorraden die onder regie van de inlichtingendienst BND en hoge ambtenaren-militairen van Stoltenbergs ministerie sinds vorig najaar voor onderzoek naar Israel gingen en waarvan de vijftiende zending vorige maand in de Hamburgse haven in beslag werd genomen.

Het gaat in beide genoemde gevallen om zoiets als ernstige politieke kluchten in zakformaat. Voor een onderzoekscommissie van de Bondsdag heeft Stavenhagen een- en andermaal verklaard dat hij er niet van wist dat de in Oost-Duitsland gehate Schalck-Golodkowski, die in december 1989 uitweek naar West-Duitsland en als kostelijke inlichtingenbron via de BND in Beieren aan riante woonruimte kwam, al in februari 1990 een, toen nog Westduits, paspoort op de naam van zijn vrouw van de BND had gekregen.

Een vertrouwelijke mededeling daarover van de toenmalige BND-chef Wieck was weliswaar op 29 maart 1990 in de kanselarij aangekomen, maar daar ongelezen in de brandkast verdwenen. Althans: aanvankelijk had de arme Stavenhagen in drie instanties voor de onderzoekscommissie verklaard dat hij die brief over de valse pas voor Schalck wel had gezien, maar de inhoud had vergeten. Dat had hem al de hoon van de SPD opgeleverd, een hoon met dankbare echo's in de vroegere DDR.

Vorige week kwam een hoge ambtelijke medewerker van Stavenhagen verklaren dat hij die BND-brief per abuis nooit aan de onderminister had voorgelegd maar ongelezen in de brandkast had gestopt en hem daar pas veel later had ontdekt. Namelijk pas nadat de vroegere BND-chef Wieck, nu ambassadeur in India, het bestaan ervan, en de datum van verzending, aan de commissie van onderzoek had gemeld.

Stavenhagen stond daarmee voor het probleem hoe hij die tegenstrijdige lezingen (morgen) aan de onderzoekscommissie zou verklaren. Twee beperkte keuzemogelijkheden resteerden: a) brief wel gezien maar helaas vergeten, b) brief toch niet gezien en tegen de Bondsdag gejokt. Zowel wat betreft de ontslag-procedure - zei Kohl dat hij weg moest of nam Stavenhagen zelf ontslag? - als wat betreft de vraag of een verantwoordelijk politicus ook moet gaan “als hij er zelf niets aan kan doen” herinnert de geschiedenis enigszins aan de “paspoort-affaire” die een paar jaar geleden in Den Haag leidde tot het vertrek van staatssecretaris Van der Linden, een vriend trouwens van Stavenhagen.

Ook in het geval van de door medewerkers van de BND en medewerkers van Defensie met vervalste vrachtbrieven naar Israel verscheepte partijen Sovjet-wapens van het vroegere Oostduitse leger moest Stavenhagen, net als minister Gerhard Stoltenberg, melden dat hij niets had geweten van dingen die hij wèl had moeten weten. Hij heeft nu de consequentie getrokken, of moeten trekken. Wat minister Stoltenberg doet, of van Kohl moet doen, blijkt in de komende dagen: aanblijven (ook als schietschijf van de oppositie) of vertrekken. Dan zal ook blijken of Stavenhagen, zoals eerder Van der Linden, tenminste geslaagd is in zijn bijrol van Barbertje.