Nieuwe aanpak maakt zwakzinnige zelfstandiger

De tendens naar "zorg op maat' zet door in de zwakzinnigenzorg. Bij nieuwe cliënten wordt steeds meer eerst hun behoefte aan zorg onderzocht in plaats van hen met een totaalpakket te omringen. Ervaringen in gezinsvervangend tehuis De Blokhorst in Zwolle leren dat zwakzinnigen vaak veel meer kunnen dan wordt gedacht.

ZWOLLE, 4 DEC. “Geef maar honderd gulden”, antwoordde een nieuwe bewoner op de vraag hoeveel zakgeld hij wilde hebben. Dat kreeg hij. Een dag later vroeg hij opnieuw om zakgeld, weer honderd gulden. Het was op namelijk. Een kop koffie afgerekend en niet op wisselgeld gewacht. Nee, concludeerde hij toen zelf, geef toch maar vijf gulden.

Bewoners hun eigen grenzen laten zoeken en zo hun zelfredzaamheid vergroten: dat is een belangrijk uitgangspunt van De Blokhorst in Zwolle. W. Kleine Schaars, hoofd van het gezinsvervangend tehuis: “Veel bewoners zitten al heel lang in tehuizen. Die weten het wel. Die zijn gewend aan afhankelijkheid.”

Van buiten ziet geen mens dat het rijtje eengezinswoningen van binnen met elkaar is verbonden. De vier woningen in een nieuwbouwwijk van Zwolle vormen samen De Blokhorst, een gezinsvervangend tehuis voor mensen met een verstandelijke handicap. Het ziet eruit zoals veel moderne gezinsvervangende tehuizen: zo gewoon mogelijk.

Toch is De Blokhorst niet zo gewoon. In de loop der jaren zijn namelijk 27 ex-bewoners zelfstandiger gaan wonen. Ze hebben steeds minder begeleiding nodig. Mensen met een verstandelijke handicap die in een zorginstelling verblijven zijn niet van nature afhankelijk, maar worden afhankelijk gemaakt. Die afhankelijkheid schuilt volgens Kleine Schaars in de eerste plaats in het gangbare hulpverleningsmodel waarin elke bewoner een mentor heeft. In De Blokhorst is geprobeerd die afhankelijkheid te doorbreken door elke bewoner twee begeleiders te geven: een zaakwaarnemer en een procesbegeleider.

De zaakwaarnemer houdt zich bezig met zakelijke contacten, zoals met werkgever, verhuurder en arts, met het helpen beheren van het geld van de bewoner, het onderhouden van contacten met familie en met het aanleren van praktische vaardigheden. De procesbegeleider houdt zich bezig met het aanleren van sociale vaardigheden en fungeert als steun en toeverlaat van de bewoner. Regel is dat een bewoner altijd steun vindt bij zijn procesbegeleider, ook al heeft hij iets erg fout gedaan. De zaakwaarnemer gaat dan de confrontatie aan en wijst hem op zijn fouten.

“Een van de eerste dingen die je moet doen als procesbegeleider is het vertrouwen zien te krijgen van de bewoner”, zegt Kleine Schaars. “Je moet zicht zien te krijgen op zijn of haar belevingswereld.” Elke week heeft een bewoner een gesprek met zijn procesbegeleider. Het gesprek wordt opgenomen op video en besproken in het team. Door deze werkwijze werd veel bespreekbaar en doorzichtig wat eerst onuitgesproken en schimmig bleef. Begeleiders ontdekten dat ze vooral veel moesten afleren, bijvoorbeeld om te veel in te vullen. Pas dan kan een bewoner zelf op zoek naar zijn grenzen. “Bewoners gaan ontzettend groeien”, zegt Kleine Schaars. “Ze hebben alleen dat maatje nodig.”

De bewoners van De Blokhorst bepalen bijvoorbeeld zelf hoe laat ze naar bed gaan. In het begin werd het regelmatig twee, drie uur. Kleine Schaars: “Dat was snel afgelopen. Nu zeggen ze: ik ben moe, ik ga naar bed.”

Het is juist die toegenomen beheersing over hun eigen doen en laten die bewoners in staat stelt zelfstandiger te functioneren. Sinds De Blokhorst in 1985 begon, zijn 27 bewoners doorgeschoven naar zelfstandiger woonvormen zoals aanleunwoningen, dependences en begeleid zelfstandig wonen. Veelal wordt als criterium voor begeleid zelfstandig wonen gehanteerd dat een bewoner alle praktische klussen in huis zelf moet kunnen. Kleine Schaars: “Als we dat aanhielden konden we bijna niemand uitplaatsen. Het is niet zonder meer een kwestie van niveau. Als iemand niet kan koken brengen we eten, als iemand de was niet kan doen halen we die op.”

Rond een uur of vijf 's middags is het spitsuur in De Blokhorst. Dan komen heel wat bewoners van aanleunwoningen en dependences met hun pannetjes om eten te halen, dat ze vervolgens meenemen naar hun eigen huis. Kleine Schaars: “Er zijn mensen die nooit zelfstandig zullen kunnen wonen. Maar hier wonen mensen op zichzelf van wie we eerst hadden gedacht dat die het nooit zo zouden kunnen. We zeggen ook niet: je moet zelfstandig wonen. Bewoners moeten het zelf willen.”

Patricia woont nog niet zo lang op De Blokhorst. Ze zat eerst in een tehuis.“Waar ik eerst woonde was er een bepaalde bedtijd en een douchetijd. In het begin vroeg ik hier een keer of ik mocht douchen. Dat vonden ze gek.” Ze merkt dat ze steeds meer initiatieven durft te nemen, bijvoorbeeld om een ruzie uit te praten, of voor zichzelf op te komen. Ze wil over een tijdje zelfstandig wonen, maar niet alleen.

De meeste van de bewoners in de zelfstandiger woonvormen wonen niet alleen, maar met zijn tweeën of zelfs met zijn vieren. Dan hebben ze steun aan elkaar. Bewoners kiezen dan wel voor elkaar. Frans en Johan bijvoorbeeld. Zij wonen sinds kort met zijn tweeën in een flat. Ze zijn nog druk bezig met de inrichting. Wie zelfstandig gaat wonen krijgt daarvoor van de C.E. van Koetsveldstichting, waartoe De Blokhorst behoort, tienduizend gulden per persoon voor de inrichting van de woning, zodat ze meteen in de spullen zitten. Johan heeft vroeger alleen gewoond: “Dat ging niet meer. Ik heb toen een tijd op De Blokhorst gezeten en dat beviel me heel goed. Nu dan samenwonen. Dat geeft meer rust.” Frans heeft ook op De Blokhorst gewoond en kende Johan al van zijn vroegere werk in het tuinonderhoud. Ook Frans zegt op De Blokhorst veel te hebben geleerd: “Elkaar helpen. Uitpraten na ruzie maken.”

Erwin werkt sinds kort als groepsleider bij De Blokhorst en is juist bezig Frans en Johan te helpen met het ophangen van spullen: “Er zaten ook twee bewoners in de sollicitatiecommissie voor nieuw personeel. Die stelden heel aparte vragen, zoals: kun je boren? Ze vroegen ook: hoe laat vind je dat ik naar bed moet. Ik zei, geloof ik, tien uur. Vroeg-ie: En als ik niet ga, wat dan?” Een andere sollicitant zei op diezelfde vraag: “Ik vind dat je dan tóch naar bed moet”. Waarop de bewoner hem liet weten: “Dan kun je hier beter niet komen werken.”