Motti Kirshenbaum over Israelische documentaire-makers; Wij confisqueren pijn Palestijnen

Hoewel het Israel-Palestina retrospectief van het vanavond openende vierde International Documentary Film Festival Amsterdam moest worden afgezegd wegens politieke bezwaren van de Israelische overheid, gaan de beide lezingen van een Israelische en een Palestijnse documentarist zondagmiddag wel door. Een van beide sprekers is de kritische televisiejournalist Motti Kirshenbaum, die sceptisch is over de zin van filmische samenwerking tussen joden en Arabieren in Israel.

TEL AVIV, 4 DECEMBER. Naar Motti Kirshenbaums documentaire televisiewerk moet niet alleen worden gekeken maar ook heel goed worden geluisterd. Hij begeleidt zijn zeer persoonlijke keuze van beelden met langzaam uitgesproken ironische, vaak ook heel sarcastische teksten. Kirshenbaums documentaires, ook over de pijnlijkste onderwerpen, krijgen daardoor een bijzondere fleur. Ze zijn pakkend en stemmen de kijker tot nadenken. “Daar streef ik ook naar”, zegt hij tijdens een gesprek in zijn bureau in Tel-Aviv. “Ik wil de gedachten van de kijkers prikkelen, ze laten zien dat er aan problemen verschillende kanten zitten”. In de Israelische televisiewereld neemt deze in Israel geboren 58-jarige documentairemaker een bijzondere plaats in.

Met een opleiding aan de filmacademie van de universiteit van Californië achter zich heeft Motti Kirshenbaum zich ontpopt als een documentaire-maker die in het dramatische Israelisch-Arabisch conflict zo dicht mogelijk de waarheid probeert te benaderen. Hij is zich terdege bewust van de moeilijkheden die hij daarbij als Israeliër ondervindt. “De moeilijkheid is om voor de Israelische kijkers (politieke) documentaires te maken die van propaganda zijn verschoond”, legt hij uit. “Het probleem waarmee ik worstel is dat de helden in mijn documentaires ook mijn kijkers zijn. Dat schept het probleem van de objectieve weergave”.

Die boodschap wil Motti tijdens zijn voordracht in het kader van het International Documentary Filmfestival uitdragen. “Ik wil vertellen hoe moet worden gekeken naar documentaires die in het Midden-Oosten worden gemaakt”.

Het buitenland moet er zich volgens hem goed rekenschap van geven dat “wij het conflict persoonlijk beleven. Documentaires, of ze door Palestijnen of Israeliers zijn gemaakt, zijn verklaringen die in de context van de realiteit in het Midden-Oosten moeten worden geplaatst en als zodanig moeten worden beoordeeld”

Hoewel hij zich er rekenschap van geeft dat hij als Israeliër in het Israelische leefklimaat bij zijn werk voortdurend bewust en onbewust geconfonteerd wordt met de vraag wat subjectiviteit of objectiviteit is, luistert hij naar de stem van zijn journalistiek geweten. “Ik wil eerlijk journalistiek werk doen.”, zegt hij. “Dat is mijn uitgangspunt”.

De Israelische televisie laat dat naar zijn zeggen ook toe en geeft hem vrijwel onbeperkte vrijheid zijn diepgaande reportages, die vaak over het Palestijnse vraagstuk handelen, op het scherm te brengen. Slechts zelden heeft de censuur er het mes ingezet. De militaire censor sneed onlangs wel een aantal opnamen uit een reportage die Motti maakte in de kasbah van Nablus over het optreden van speciale, verklede Israelische militaire eenheden tegen gemaskerde Palestijnse strijdgroepen zoals de “zwarte Panters”.

De documentaire schokte Israel en leidde volgens Motti “bijna tot een kabinetscrisis en het ontslag van opperbevelhebber generaal Barak”. De opperbevelhebber werd door ultra-rechtse ministers onder vuur genomen omdat hij toestemmming had gegeven deze reportage te maken, terwijl linkse politici diep verstoord waren over de manier waarop als burgers verklede soldaten jacht machten op gemaskerde Palestijnen.

Hoewel Motti's pro-Palestijnse sympathieën ook in legerkringen bekend zijn stelde het leger hem toch in staat de opzienbarende reportage in Nablus te maken.

Ze weten dat ze te doen hebben met een naar de “waarheid” zoekende documentairemaker die sedert het uitbreken van de intifadah, vier jaar geleden, reeds 15 speciale TV-reportages over de Palestijnse volksopstand op zijn naam heeft staan. Ook bracht hij een documentaire naar een boek van S.Izhar Hirbet Gize ( de ruïne van Gize), de tragedie van een verwoest Arabisch dorp in Israel, op het scherm. Jaarlijks wordt deze door de Jordaanse televisie “gestolen” film in het buurland getoond. Wat Motti ziet als het in beeld brengen van de waarheid rond deze tragedie wordt in Amman als goed bruikbare anti-Israelische propaganda beoordeeld. In dit verband stelt Motti vast dat Israelische documentairemakers, filmers en schrijvers vaak het lijden van de Palestijnen tot uitdrukking proberen te brengen. “Wij confisqueren de pijn van de Palestijnen”, zegt hij. “Zou het niet beter zijn indien de Palestijnen dat zelf doen?”, vraagt hij zich af. Daarom is het volgens hem zelfs “fantastisch” dat Israelische en Palestijnse documentairemakers niet samenwerken. “Het is beter als iedere partij zijn verhaal doet”, merkt hij op.

Motti maakte ook documentaires over de Grote Verzoendagoorlog - “de scheur in het oog”, over de situatie in de Gaza-strook onder de naam “granaat in Gaza”, en over de Libanese oorlog.

De ondertoon van deze documentaires is sarcastisch. Met de altijd door hem zelf uitgesproken teksten neemt Motti afstand van de beelden die over het kleine scherm rollen. Het is een techniek die de kijker sterk bij het “gebeuren” betrekt en gelijktijdig in staat stelt er kritisch naar te kijken.

De melancholiek aandoende humor in zijn televisiewerk hoeft niemand te verwonderen want in de beginjaren van de Israelische televisie produceerde Motti gedurende twee jaar de satire Nikoei rosh ( het schoonmaken van het hoofd). Toen al stelde hij zich tot doel via dit beroemd geworden programma vooral de middelbare schooljeugd van vooringenomen denkbeelden en gevoelens te bevrijden. “Ik wilde hen aan het twijfelen brengen”, zegt hij. En dat wil Motti nog steeds. Niet alleen de jongeren maar iedereen.