"Jodendom meer dan kippesoep op vrijdag'; Joods worden behelst een andere manier van denken en leven

AMSTERDAM, 4 DEC. De piek is voorbij. Die was er tijdens de Golfoorlog toen bij de orthodox-joodse gemeente in Amsterdam veelvuldig telefoontjes binnenkwamen van mensen die wilden weten “wat ze moesten doen om te worden opgenomen in het Jodendom”.

Nu bellen wekelijks zo'n twee à drie mensen met hetzelfde verzoek. Van de ruim honderdvijftig belangstellenden die zich jaarlijks bij het rabbinaat melden, halen hooguit twee de eindstreep. Bij de liberaal joodse gemeenten komen jaarlijks honderden verzoeken binnen. Gemiddeld worden tien personen per jaar opgenomen.

Het gros krijgt nul op het request. Bijvoorbeeld de man die zegt: ik zie het in mijn eigen kerk niet meer zitten, de dominee bevalt me niet langer. “Dan zeg ik: praat u nog maar eens met uw dominee of met de ouderling”, aldus de orthodoxe rabbijn L. van de Kamp. Of de jongen die schrijft dat hij tijdens zijn verblijf in Israel zo'n leuk meisje heeft ontmoet en er eigenlijk wel voor voelt zelf ook jood te worden. Hij krijgt te horen dat dit motief niet geldig is, voorop dient de geloofsovertuiging te staan.

Van de Kamp: “Een ander motief is de verbondenheid met het joodse volk. Dat respecteer ik maar het is niet voldoende. We krijgen ook brieven van vijf kantjes binnen met iemands hele levensverhaal en aan het eind de vraag "kan ik joods worden?' Vaak kan iemand beter even naar de psychiater gaan dan naar de rabbijn. Het merendeel van de mensen blijkt ook bij nadere kennismaking niet goed op de hoogte van wat het jodendom inhoudt. Het is meer dan de kippesoep op vrijdagavond”.

Sommigen zijn wel degelijk gemotiveerd. Zij houden zich bijvoorbeeld aan de spijswetten, nemen de sabbat in acht en gaan geen relaties meer aan met niet-joden. “Wanneer zij zich tot het rabbinaat wenden hebben ze in feite al een keuze gemaakt”, zegt Van de Kamp.

Maar voor de uiteindelijke toelating moet een lange weg worden afgelegd. Moet er veel gelezen worden: over het jodendom, over de voorschriften met betrekking tot bijvoorbeeld de spijswetten. Moet Hebreeuws geleerd worden om de gebeden te kunnen zeggen. En er moet een vertrouwensrelatie worden opgebouwd met de rabbijn die tot de overtuiging moet komen dat de geloofsovertuiging bij zijn gesprekspartner centraal staat.

“Het wordt mensen vreselijk lastig gemaakt. Ik vraag me weleens af waarom iemand die moeite wil nemen. Ja, als je een joodse vader hebt en geen joodse moeder dan kan ik mij er iets bij voorstellen. Maar iemand met een volstrekt niet-joodse achtergrond?” Mirjam kijkt oprecht verbaasd.

Geboren in een doopsgezind milieu werd haar als kind vaak op school gevraagd "of ze joods was'. “Mijn moeder zag er zeer joods uit maar ze wilde er niets van weten. Zij had geen joodse moeder, wel een joodse vader en is zelf doopsgezind geworden toen ze ging trouwen. Ik had een orthodox-joods vriendinnetje en raakte steeds meer geïnteresseerd in die achtergrond. Op de middelbare school las ik veel van Carry van Bruggen, ik merkte dat ik ergens naar op zoek was - noem het zoeken naar het mysterie”. Ze ging op haar 18e naar Amsterdam, volgde de verpleegstersopleiding in het CIZ. In haar vrije tijd bezocht ze de bijeenkomsten van de zionistische studentenvereniging, ze at in de koshere mensa, bezocht de synagoge en leerde Hebreeuws. “Hoewel het religieuze gevoel er nog niet was wist dat ik die kant uitwilde. Op mijn 22e heb ik een half jaar bij een orthodox-joodse familie in Zwitserland gewoond om te zien of het werkte.”

Terug in Amsterdam wendde ze zich begin jaren zeventig tot het rabbinaat van de joodse gemeente. Na enige tijd volgde een gesprek met een paar rabbijnen. “Dat ging niet erg diep, ik moest vertellen wat het verschil was tussen Chassidische joden en niet-chassidiem. Ja, gek eigenlijk: er werd niet getest of ik Hebreeuws kende. Waarom ik koos voor het orthodoxe jodendom? Ik vind dat dat de enige keuze is. En als je het doet moet je het goed doen”.

Op tafel staat een bord met oliebollen. Daarnaast ligt een stapeltje boekjes met richtlijnen voor "Opname van Proselieten in het Jodendom', een uitgave van het verbond van liberaal-religieuze joden in Nederland. Nog niet zolang geleden had rabbijn D.L. Lilienthal er een halve dagtaak aan mensen te ontvangen die wilden "uitkomen'. Nu komen alle intake-gesprekken binnen bij een collega-rabbijn die ook psycho-therapeutisch geschoold is. Ruim de helft houdt het na het eerste gesprek voor gezien: of omdat ze elders gevonden hebben wat ze zochten of omdat ze hebben ingezien dat het proces te ingrijpend is.

“Het gaat immers niet "alleen' om de "joodse godsdienst aannemen' zoals men veelal zegt. Joods worden behelst het integreren in een andere gemeenschap, met een andere geschiedenis, andere gevoeligheden, andere voorkeuren, een gedeeltelijk anders gerichte belangstelling, kortom: een andere manier van denken en leven”, aldus Lilienthal.

Is bij de orthodoxen iemand die jood wil worden omdat hij een joodse partner heeft "verdacht', bij de liberalen wordt daar ruimhartiger over gedacht, aldus Lilienthal. “Zo iemand moet je niet afwijzen. Hoewel de aanwezigheid van een joodse partner alléén ons niet overtuigt, er moet meer achterzitten. Er moet zeer zeker sprake van religieuze betrokkenheid”.

Met grote regelmaat ontmoet hij kinderen en volwassenen die wel een joodse vader hebben maar geen joodse moeder en die de kant van de vader willen kiezen. Zij worden, zegt hij, anders bejegend dan mensen die niet deze achtergrond hebben. Mensen zonder joodse ouders moeten aannemelijk kunnen maken dat zij het jood-zijn even hard nodig hebben als de lucht die zij inademen. Een niet-jood met een joodse vader kan, aldus Lilienthal, zijn joodse status via het Beth Din laten bevestigen.

Mirjam: “De liberalen bedotten de boel. Stel dat een niet-joodse vrouw is uitgekomen bij de liberalen en ze leert een orthodox-joodse man kennen met wie ze wil trouwen. Maar zij wordt door de orthodoxen niet erkend. Je krijgt twee soorten joden: de echte en de niet echte. Ik? Ik behoor tot de echte”.