Herinnering aan tolerantie

Nederland is een tolerant land, vooral in de ogen van de Nederlanders zelf. We zijn zo ruimdenkend, zo gastvrij en meelevend, dat er tv-spotjes nodig zijn om ons "een beetje begrip' bij te brengen. Een beetje begrip, want "veel' is al gauw overdreven.

In een van de succesvollere Postbus-51-mededelingen wordt op de bekende neo-realistische wijze een stukje Hollands drama opgevoerd. We zien in een metaalachtig blauw licht een jongeman in bed liggen. In z'n eentje in een tweepersoons ledikant. De wekker wijst tien over elf. Weer zo iemand die zijn bed niet uit kan komen omdat hij meent dat zijn werk anders kan? Zeg 't dan! Nee, deze man heeft weinig te vertellen. Hij draait zich nog eens om, maar slapen lukt niet meer. Lusteloos trotseert hij het felle tegenlicht als hij in z'n pyjamaatje thee drinkt bij het zolderraam, de blik op oneindig. Begeleid door onheilspellende pianoklanken leest hij de krant, maar zijn gedachten blijven er niet bij. Deze jongen heeft een probleem, hij kan zijn draai niet vinden en besluit zijn heil te zoeken op de straat.

En dan begint de ellende pas goed. Meteen al in het trappenhuis staan twee buurvrouwen geparkeerd (jonge vrouwen met een schort), die terugdeinzen alsof ze het monster van Frankenstein de trap af zien komen. En op straat is het ook niet helemaal pluis. Als de jongeman zijn woning in De Pijp verlaat is de straat autovrij, maar twee stappen verder blijkt het één en al geparkeerd voertuig te zijn. Hallucineert de hoofdfiguur? Waar gaat deze tv-spot over? Over de ledigheid van de werkloze, over de oorzaken van vandalisme? Worden de buurvrouwen opgeroepen om achter het aanrecht vandaan te komen? Of worden we lekker gemaakt voor nieuw parkeerbeleid? Nee, we worden aangespoord meer begrip te tonen, in dit geval voor de medemens met AIDS. Van tussen de auto's en motorfietsen verschijnt een tweede boy, die zijn hand meelevend op de rug van onze jongen legt. Ze kijken elkaar indringend aan. “Van een beetje begrip heeft nog nooit iemand AIDS gekregen.” Van onbegrip of te veel begrip waarschijnlijk wel.

Eenzelfde toon van tolerantie treffen we aan in de campagne "Verdraagzaamheid tegenover etnische minderheden' die zich bedient van de slogan "Zet 'ns een andere bril op', en in de SIRE-campagne "Wellevendheid' met de serie koopregels "Bent u er ook zo één die...'. Rekening houden met anderen is iets moois, maar het is kennelijk niet vanzelfsprekend. Zit het eigenlijk wel goed met de mythe van de Nederlandse tolerantie? We komen woorden tekort om de Zuidafrikaanse Apartheid, de ideeën van Le Pen, de wandaden van de Duitse skin heads en de zege van het Vlaamse Blok te veroordelen. Bij ons kan méér dan in andere Europese landen, en vooral de Amsterdammer heeft een groot incasseringsvermogen: waar het vol is moet je een stootje kunnen verdragen.

Maar Nederland is niet van elastiek, en volgens Von der Dunk voelen wij ons prettiger als commentatoren die de puntjes op de i van buitenlandse prestaties zetten, dan als managers van onze eigen problemen. Of, zoals Jan Blokker schreef na de Belgische verkiezingen: “En nu maar afwachten wat de calvinistische betweters uit het noorden te bieden hebben als er straks bij Wuustwezel dikke rijen Marokkaanse kinderwagens de grens overrijden”. En wat zal er gebeuren als volgend jaar de binnengrenzen opengaan? Zit er nog voldoende rek in de Hollandse gastvrijheid?

Volgens prof. Couwenberg en de historicus Briels valt het allemaal wel mee. Zij hebben een onwrikbaar vertrouwen in onze tolerantie, die door Briels zelfs "gewetensvrijheid' wordt genoemd: “De Nederlandse tolerantie is beslist geen mythe; eigenlijk is onze samenleving een permanente oefening in tolerantie. Leven en laten leven is een typisch Nederlandse uitdrukking”. Maar ja, dat is de mening van landgenoten die zijn opgegroeid met het idee van Amsterdam als vrijplaats voor humanisten, Portugese joden en Antwerpse protestanten.

Ernest Zahn ziet het wat anders: “Tolerantie is geen menselijke eigenschap, geen nationale deugd die als een fraaie bloem aan de inborst van een braaf volk zou zijn ontsproten en nu door iedereen zou worden belichaamd”.

Ben je gek! De Nederlandse tolerantie komt voort uit ons cultuurpatroon. We zijn niet de geboren heiligen van de medemenselijkheid, maar we zitten hier als een stel gevaarlijke gekken op elkaars lip en we moeten wel naar elkaar luisteren. We moeten wel respect opbrengen voor elkaars mening, hoewel geen Nederlander precies weet wat het woord "respect' betekent.

Tolerantie is in ons land niets anders dan een vorm van conflictbeheersing: onze samenleving bestaat uit kwekkende en kibbelende clubjes die elkaar te vuur en te zwaard bestrijden aan de vergadertafel. En dat weten we. We aanvaarden de verschillen omdat we op die paar vierkante meter tot elkaar veroordeeld zijn, en we nemen het standpunt in: als je mij in mijn waarde laat, laat ik jou in je waarde, en dan zien we samen of we daar voordeel uit kunnen halen.

Of om met Zahn te spreken: Nederlanders kennen geen "knokstijl'. Daarom zal een Nederlander nooit uitbundig schelden als er wordt voorgedrongen (“Mevrouw, ik geloof dat u zich vergist, ik was eerder aan de beurt”) of als iemand op zijn tenen gaat staan (“Au zeg, dat komt aan!” “Sorry, sorry, sorry”), maar binnensmonds zal hij vloeken als een duivel. Geen racistische opmerkingen, maar wat er zich inwendig afspeelt...

Onze tolerantie is geen innerlijke waarde, maar een spelregel binnen het ritueel van een verzuilde vergadercultus: vanuit de bescherming van het eigen clubje mag iedereen roepen hoe de zaken er voorstaan. Veilig omringd door geestverwanten en stroefjes aangehoord door andersdenkenden. Zo was het in de 17de eeuw met de schuilkerken, die werden geduld zolang ze niet te opvallend en militant aanwezig waren. Zo is het nu met de homo-bars, pottencafés, Marokkaanse koffiehuizen en de schuilkerken in de parkeergarages van de Bijlmer. Openbare gelegenheden, maar waag het niet om er binnen te gaan.

Wie iets wil weten van homo's, lesbiennes, allochtonen of religioso's, kan maar beter een 06-nummer bellen, de nieuwste variant van onze open maatschappij.

Laten we onszelf niets wijsmaken. De mooiste opmerking over onze ruimdenkendheid is van Sociaal Vernieuwer Jan Beerenhout: “In geen land ter wereld is tolerantie zo'n dwingend opgelegde norm. Geen sociale norm uit vrije keuze, maar dwingend opgelegd”. Die norm is even belangrijk voor onze cultuur als de buitenspel-regel voor het voetbalspel.

Vandaar dat de overheid er veel Postbus-51-guldens voor over heeft om ons er steeds weer aan te herinneren.