HBO-Raad verwijt minister Ritzen gebrek aan visie; HBO wil af van gesplitst hoger onderwijs

ROTTERDAM, 4 NOV. De sfeer was ijzig. Van de beoogde "dialoog' was al lang geen sprake meer toen minister Ritzen (onderwijs) maandagavond op de valreep voorstelde de problemen in het hoger onderwijs op te lossen door scherp te formuleren wat de verschillen tussen universiteiten en hogescholen zijn. Dus geen open discussie over de veranderde eisen die de samenleving in 2000 wellicht aan het hoger onderwijs zal stellen - zoals de vereniging van hogescholen, de HBO-Raad, wilde.

De voorzitter van de HBO-Raad, H.J. Kemner, had daar bij de bespreking van het Hoger onderwijs- en onderzoekplan (HOOP) van minister Ritzen om gevraagd. “Het HOOP ontbeert een visie op de toekomst”, aldus Kemner. “Aan alle kanten is het ondertussen duidelijk dat het huidige stelsel aan metaalmoeheid leidt en bepaald niet adequaat meer functioneert. Veranderen mag van de minister, als alles maar hetzelfde blijft.”

Kemners behoefte aan een open discussie is ingegeven door de regelmaat waarmee de hogescholen zich nu geconfronteerd zien met de gebreken van het huidige stelsel. Terwijl op dit moment de arbeidsmarkt - en dat is, zo verklaarde ook Ritzen, dè bepalende factor - vraagt om een qua duur, intensiteit, kwaliteit en aard veel gedifferentieerder aanbod aan hogere opgeleiden, bieden universiteiten en hogescholen opleidingen aan die steeds meer op elkaar gaan lijken. De universiteiten gedragen zich met hun toenemend aantal beroepsopleidingen steeds meer als hogescholen, de hogescholen van hun kant willen meer status en neigen er volgens velen soms toe de universiteiten teveel te imiteren.

Status speelt zeker mee in de onvrede van Kemner met het huidige hoger onderwijs. Weliswaar geldt dat wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs gelijkwaardige sectoren binnen het stelsel van hoger onderwijs zijn, in de praktijk blijkt er van die gelijkwaardigheid volgens het HBO niet veel. De universiteiten ontvangen van de minister meer geld dan de hogescholen, krijgen meer faciliteiten en worden ook op andere terreinen, zoals in de titulatuur, bevoorrecht.

Maar de onvrede van de HBO-Raad is niet alleen hierop terug te voeren. Kemner kan ook wijzen op de uitkomsten van het internationaal vergelijkend onderzoek dat het Centrum voor studies van het hoger onderwijsbeleid (CSHOB) in Enschede in opdracht van de HBO-Raad deed naar de ontwikkelingen in het hoger onderwijs in vijf landen: Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Australië, Frankrijk en Californië.

In hun eindrapport, "Dynamiek en convergentie' schetsen de onderzoekers de problemen die zich in die landen in het hoger onderwijs voordoen. Dat blijken grotendeels dezelfde te zijn als in Nederland. De onderzoekers komen tot de conclusie dat een "binair' stelsel - een tweedeling in hogescholen en universiteiten “vanuit arbeidsmarktperspectief steeds moeilijker valt te rechtvaardigen”.

In landen met een binair stelsel (Duitsland, Verenigd Koninkrijk) is de differentiatie van het onderwijsaanbod geleidelijk aan geringer geworden. De student (en daarmee later ook de werkgever) kan daarentegen veel beter een bij hem passende opleiding vinden in Frankrijk en Californië waar geen sprake is van een strak gehanteerd binair stelsel. De opdeling die juist een grotere differentiatie zou moeten bevorderen lijkt in haar tegendeel te verkeren. En buiten Nederland wordt nadrukkelijk gediscussieerd over de toekomst van het hoger onderwijs, zo constateert het CSHOB. De verschillen tussen universitair en niet-universitair hoger onderwijs zijn in veel gevallen zo klein zijn geworden dat bezinning op de vormgeving van het hoger onderwijsbestel nodig wordt gevonden.

Opheffing van het binaire stelsel staat de hogescholen overigens voorlopig niet voor ogen. Dat past niet in het scenario waar hun voorzitters onlangs, als voorschot op een uitgebreide discussie, voor hebben gekozen. Tijdens een intern debat spraken ze hun voorkeur uit voor een scenario dat onder meer juist voorziet in de versterking van de beroepsopleiding: de hogescholen bieden hogere opleidingen aan die zijn gebaseerd op duidelijke beroepsbeelden welke breed gedragen worden.

Dat was een van de drie scenario's die ze kregen voorgelegd als uitvloeisel van een uitgebreide analyse van de sterke en zwakke kanten van het hoger beroepsonderwijs en van de markt waar de hogescholen op opereren. Het scenario om met wat kleine verandering op de huidige voet door te gaan werd afgewezen.

Het derde scenario, waarin het onderwijs van de universiteiten en dat van hogescholen geleidelijk aan in elkaar overgaan - waarmee dan ook een einde komt aan het binaire stelsel -, was voor de hogescholen voorlopig nog een brug te ver.

In theorie is het nog wel mogelijk een onderscheid te maken tussen hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs, zo schrijven de onderzoekers van het CSHOB. Maar aan de toepassing daarvan kleven zoveel bezwaren dat het zeer de vraag is of de inspanning opweegt tegen het resultaat. Toch is dat wat minister Ritzen maandag voorstelde. Maar dat lost echter niets op, aldus Kemner.