Frankrijk kwam met het ei van Columbus tijdens beraad EMU

BRUSSEL, 4 DEC. De Frans-Duitse as heeft weer gesmeerd gewerkt. Het resultaat, dat afgelopen nacht werd bereikt, is dat Europa in ieder geval voor het einde van deze eeuw zal beschikken over één munt en één centrale bank. Of het 1997 of 1999 wordt, blijft nog in het midden. Maar zoveel is zeker: het streven naar één munt, al is het voor een beperkt aantal landen, zal niet langer geblokkeerd kunnen worden.

Met de top van Maastricht in het zicht en in de allerlaatste ronde van ministerieel overleg kwam Frankrijk maandag - “tamelijk tot mijn verrassing”, zoals de Britse minister van financiën, Norman Lamont, opmerkte - met een heel nieuw voorstel om de overgang te regelen naar de slotfase van de Economische en monetaire unie (EMU), waarin landen zich verplichten om hun munten onherroepelijk aan elkaar te koppelen en het monetaire beleid overdragen aan een Europese centrale bank (ECB).

In het ontwerpverdrag dat Nederland heeft opgesteld, was voorzien dat eind 1996 de Europese Raad (de regeringsleiders en het Franse staatshoofd) met uanimiteit moeten beslissen of ze het groene licht geven aan de definitieve stap naar één munt. Ze moeten dat doen op basis van advies van de ministers van financiën en centrale bankpresidenten, die onderzoeken of een voldoende aantal landen voldoet aan strenge criteria wat betreft inflatie, begrotingstekort en rente om aan de slotfase deel te nemen. Landen die niet aan deze voorwaarden voldoen, krijgen een tijdelijke ontheffing van deelname.

Als eind 1996 geen unanimiteit voor de overgang naar een munt bereikt wordt, zou deze procedure vervolgens iedere twee jaar herhaald worden, met de mogelijkheid dat telkens opnieuw een land zich zou verzetten en daarmee de gang naar de monetaire unie zou kunnen blokkeren.

De Franse minister van financiën, Pierre Bérégovoy, kwam maandag met het ei van Columbus. Eind 1996 blijft de voorgestelde procedure gehandhaafd, maar twee jaar later, eind 1998 dus, kan de Europese Raad met eenvoudige meerderheid van stemmen beslissen of de stap naar de gemeenschappelijke munt gezet wordt. Toen de Duitse minister van financiën, Theo Waigel, zich vervolgens instemmend uitliet over deze procedure, was het geregeld en konden de ambtenaren zich aan de zoveelste aanpassing van de verdragstekst zetten.

Waigel maakte gisteravond duidelijk dat in 1996 een meerderheid van EG-landen (minimaal zeven landen) aan alle voorwaarden moet voldoen om aan de eindfase van de EMU deel te nemen, maar dat in 1998 iedere aantal landen deze stap kan maken. Theoretisch is het mogelijk, zoals minister Kok vannacht ook zei, dat twee of drie landen dan besluiten tot één munt.

Zowel in 1996 als in 1998, zo is in het verdrag vastgelegd, mogen landen die niet aan de criteria voldoen en landen die voor zichzelf een uitzonderingspositie hebben opgeëist, de stemming in de Europese Raad niet met een veto blokkeren. In feite beslissen dus de landen die wat hun economie betreft "klaar' zijn voor de gemeenschappelijke munt en zich uitgesproken hebben om daaraan ook werkelijk deel te nemen. Met uitzondering van Groot-Brittannië en, afhankelijk van een volksstemming, Denemarken, zijn dat alle huidige EG-landen.

Duitsland en Frankrijk vonden elkaar met deze formule om tot één munt voor het einde van de eeuw te komen. Het Franse belang hierbij is duidelijk: Frankrijk heeft van het begin af aan gestreefd naar het vastpinnen van de monetaire unie op een datum. Nu is op de kalender zeker gesteld dat begin 1997 of uiterlijk 1999 de Europese munt een feit is. Bovendien verschaffen de extra twee jaar ruimte aan Frankrijks zuidelijke bondgenoten - Italië, Spanje - om hun nationale economie op orde te brengen zodat ze voldoen aan de criteria voor deelname aan EMU.

Voor Duitsland is de zekerheid dat de Europese munt en de Europese centrale bank er komen ook van doorslaggevend belang. Duitsland is altijd zeer beducht geweest voor een lange overgangsfase. Deze begint in 1994, maar had tot nu toe een open einde. In het bijzonder de Bundesbank had daar grote moeite mee. Want in deze tweede fase wordt het Europese Monetaire Instituut (EMI) opgericht, dat de voorbereidingen moet treffen voor de eindfase van één munt en het monetaire beleid van de twaalf onafhankelijke centrale banken moet coördineren.

Frankrijk en Italië hebben steeds geijverd voor zoveel mogelijk bevoegdheden voor het EMI. Maar het EMI krijgt, op uitdrukkelijke wens van Duitsland en Nederland, zelf geen monetaire bevoegdheden. Zij waren bevreesd voor een "grijze zone' waarbij de onafhankelijkheid van de nationale centrale bank geleidelijk zou worden uitgehold door de monetaire ambities van het EMI. Hoe langer de overgangsfase duurt, des te meer institutionele druk zal het EMI uitoefenen om het ook werkelijk iets op monetair terrein voor te stellen.

Het komt Duitsland uitstekend uit dat nu is afgebakend dat het EMI uiterlijk in 1999 zal plaats maken voor de Europese centrale bank. Deze heeft de politieke onafhankelijkheid en de prioriteit voor prijsstabiliteit die Duitsland als absolute voorwaarde heeft gesteld om de bevoegdheden van de Bundesbank over te dragen.

In de eendrachtige Frans-Duitse samenwerking om de overgang naar de eindfase van EMU te beklinken, is welicht ook nog een verborgen afspraak gemaakt. Het was opmerkelijk dat uitgerekend gisteren, de beslissende dag in de onderhandelingen over het EMU-verdrag, minister van financiën Waigel de kandidatuur van Frankfurt als vestigingsplaats voor de Europese centrale bank stelde. Als Frankrijk en Duitsland het ergens samen over eens worden, gebeurt dat gewoonlijk ook in de Europese Gemeenschap.