Faillissement van het belastingrecht

"Stevens versus Stevens' en "Stevens strikes back!'. Deze kreten dienen niet ter aankondiging van een bokswedstrijd of als aanprijzing voor een griezelfilm.

Het waren motto's van een congres van de gezamenlijke fiscale studentenverenigingen. Die brachten afgelopen vrijdag in de Rotterdamse Doelen twee notoire fiscale kemphanen in de ring; de Amsterdamse advocaat en CDA-senator mr. Willem Stevens en de Rotterdamse hoogleraar dr. Leo Stevens. De eerste was voorzitter van de laatste belastingvereenvoudigingscommissie; de tweede behoort tot de felste critici van het rapport van deze commissie.

Het rapport mag zich overigen wel in de sympathie van de regering verheugen. Er staan aanbevelingen in voor een drastische belastingvereenvoudiging. Die moet leiden tot één tarief (35,8 procent) dat voor acht van de tien belastingbetalers gaat gelden, met als tegenhanger een verdere beperking van de aftrekposten. Door de grotere eenvoud zullen honderden ambtenaren overbodig worden. De regering had aan de plannen van de commissie de eis gesteld dat geen enkele inkomensgroep er sterk op achteruit mag gaan.

De tegenstellingen tussen de beide heren Stevens zijn langzamerhand oude koek. Willem Stevens wil simpelheid en lage tarieven en roept: "Waar gehakt wordt vallen spaanders!'. Leo Stevens houdt die spaanders onder een vergrootglas en constateert dat de commissie geen vakwerk heeft geleverd. Beiden zijn niet te beroerd een schrikbeeld te schetsen. Willem Stevens schildert de benarde positie van een land met afschrikwekkend hoge tarieven en Leo Stevens de benarde positie van een slachtoffer van de sanering van aftrekposten. Wie de heren hoort debatteren, is in één klap verlost van de gedachte dat het belastingrecht saai zou zijn. Maar of de belastingwetenschap toekomst heeft, is een heel andere vraag. Beide strijdbare fiscalisten voorzien namelijk het faillissement van het belastingrecht.

Dat pessimisme komt voort uit de groeiende afstand tussen fiscale politiek en wetenschap. Het zijn juist de rapporten van de commissies Oort en Stevens die duidelijk maken hoe ver zij van elkaar afstaan. De belastingwetenschap gaat uit van onze rechtsnoties en gaat dan na hoe de last van ongeveer 150 miljard gulden aan belastingen die de samenleving moet opbrengen, op een eerlijke manier te verdelen valt.

Uit het oogpunt van rechtvaardigheid moet er een goede reden zijn voor elke gulden die de staat van de burger afdwingt. In strijd met de schone theorie, zijn er heel wat belastingregels en soms zelfs complete belastingen zoals de vermogensbelasting en de frisdrankenaccijns, waarvoor logischerwijs geen rechtvaardiging bestaat. Over dit soort onderwerpen worden proefschriften vol geschreven, maar die worden in Den Haag niet eens gelezen. Voor politici zijn ze alleen maar frustrerend. Hun toetssteen is namelijk niet zozeer de rechtvaardigheid.

Op het Rotterdamse congres gaf Willem Stevens toe dat dit belang ook voor zijn commissie niet voorop had gestaan. Centraal stond de noodzaak geen wijzigingen aan te brengen in de inkomensverhoudingen. Deze "dictatuur van het inkomensplaatje' is overigens geen politiek bedenksel. Het is een uitvloeisel van onze bereidheid de barricade te beklimmen voor elke inkomensachteruitgang waaraan de overheid schuld is. Zoiets ervaart men als onrecht, zonder veel aandacht aan een achterliggende rechtvaardiging te besteden.

Naast die weinig wetenschappelijke benadering van het rechtsbegrip, moet de politiek ook nog rekening houden met de kritiek zoals die in Rotterdam door VNO-vertegenwoordiger Timmermans werd verwoord. Die vindt dat de commissie Stevens te weinig rekening houdt met de "belevingswereld' van de belastingbetaler. Zelfs degenen die financieel baat hebben bij "Stevens', zullen zich volgens Timmermans verzetten tegen het schrappen van een aftrekpost waaraan zij gewend zijn. Ook dit is een "onrecht' dat in de wetenschappelijke wereld geen gewicht in de schaal legt.

Toch gaat het om politiek belangrijke factoren die bepalen hoe onze belastingwetten er uitzien. Dat daardoor het rechtsgehalte van die wetten beneden de maat is geraakt, is een triest gegeven. Kritiek op zulke rammelende belastingwetten is zeker nodig. Maar daarmee kan de belastingwetenschap zijn bestaan niet rechtvaardigen. Er dreigt een plaats aan de zijlijn van de samenleving als de universiteiten blijvend onmachtig zijn een logische groepering te geven van de verdiensten die wetenschappelijk gezien tot het te belasten inkomen moeten horen. Dat is zo'n moeilijke opgave gebleken, dat een gebundelde actie nodig is. Dat de meeste fiscale hoogleraren ook verbonden zijn aan van de elkaar beconcurrerende belastingadviesketens, maakt een samenwerking natuurlijk niet gemakkelijker. Het legt trouwens ook een hypotheek op de geloofwaardigheid van de hooggeleerde pleidooien die richting Binnenhof gaan. Congressen - zoals onlangs in Maastricht - waar enkele matig geïnteresseerde politici zich met retoriek staande proberen te houden tegenover een overmacht aan verbaal wetenschappelijk geweld, zijn vermakelijk maar brengen een oplossing geen steek dichterbij. Het is al met al hoog tijd voor gezamenlijke inspanningen om het faillissement van het belastingrecht af te wenden.